Uitspraak
200102896/1 en 200103945/1.
Raad van State
Appellant diende op 14 november 2000 een verzoek om informatie in bij het college van burgemeester en wethouders van Enschede. Het college weigerde dit verzoek als een Wob-verzoek te erkennen en gaf geen inhoudelijk antwoord. Hiertegen maakte appellant bezwaar en stelde beroep in, waarbij de rechtbank het bezwaar gegrond verklaarde en het college opdroeg een nieuwe beslissing te nemen.
Het college verklaarde zichzelf vervolgens onbevoegd om op de bezwaarschriften van april en augustus 2001 te beslissen en zond deze door als aanvullend beroepschrift. Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een beslissing, maar dit werd door de president van de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Dit vonnis werd door appellant aangevochten bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het college terecht zichzelf onbevoegd achtte en de bezwaarschriften doorzond, waardoor geen sprake was van een besluit niet tijdig nemen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de president bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door het college van Enschede.