Uitspraak
200401954/1, geen toepassing worden gegeven indien een zinvol gebruik overeenkomstig het geldende bestemmingsplan objectief bezien nog mogelijk is. Het college heeft in dit verband aan zijn besluit van 24 september 2002 onder meer het advies van de DCMR van 2 mei 2002 ten grondslag gelegd. In dat advies is neergelegd dat hoewel het perceel, gelet op onder meer de omstandigheid dat er in het verleden geen onderhoud en investeringen hebben plaatsgevonden, niet meer op rendabele wijze ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf kan worden gebruikt, niet is uitgesloten dat het perceel kan worden gebruikt voor een andere agrarische bedrijfstak. Niet is gebleken dat dit advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dat niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de door appellante overgelegde adviezen van WLTO advies van 13 maart 2001 en van DLV Adviesgroep NV van 12 juni 2002 geen aanleiding geven voor een ander oordeel nu hieruit niet kan worden afgeleid dat het perceel niet geschikt is voor ander agrarisch gebruik. Ook als de Afdeling het door appellante eerst bij brief van 6 mei 2004 bij de rechtbank overgelegde rapport van DLV adviesgroep NV van 24 juni 2003 bij haar beoordeling betrekt, kan hierin geen grond worden gevonden voor vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu evenmin uit dit rapport, zoals de rechtbank eveneens heeft geoordeeld, de conclusie kan worden getrokken dat een zinvol agrarisch gebruik van het perceel in het geheel niet meer tot de mogelijkheden behoort. Het college heeft derhalve terecht geen toepassing gegeven aan de toverformule. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.