Uitspraak
200306123/1.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort verleende op 18 december 2002 een bouwvergunning voor een inpandige verbouwing van een woning. Een omwonende, appellant, maakte bezwaar tegen deze vergunning en stelde beroep in bij de rechtbank Utrecht, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.
Appellant voerde aan dat het besluit niet correct was bekendgemaakt en dat de bouwtekeningen onduidelijk waren, met name over de draagconstructie van een plafondbalk die tegen zijn buitengevel zou steunen. De Raad van State oordeelde dat de bekendmaking volgens de Algemene wet bestuursrecht correct was, omdat de vergunninghouder en belanghebbenden rechtstreeks werden geïnformeerd en appellant als omwonende geen belanghebbende is.
Verder stelde de Raad van State vast dat de bouwtekeningen voldoende duidelijk zijn en dat de vergunning niet toestaat dat balken in de buitengevel van appellant worden aangebracht. Het betoog dat een stabiele constructie zonder die steun onmogelijk is, werd niet onderbouwd en bovendien te laat ingebracht in het hoger beroep. Ook het endoscopisch onderzoek dat appellant liet uitvoeren om aan te tonen dat de balken toch in zijn gevel zijn aangebracht, is niet relevant voor de beoordeling van de vergunningaanvraag.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen reden gezien om proceskosten toe te kennen.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.