ECLI:NL:RVS:2005:AT1972

Raad van State

Datum uitspraak
18 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200500326/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • P.J.J. van Buuren
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken voorlopige voorziening tegen bestemmingsplan Haaksbergen-Dorp

De gemeenteraad van Haaksbergen stelde op 31 maart 2004 het bestemmingsplan 'Haaksbergen-Dorp' vast, dat door het college van gedeputeerde staten van Overijssel grotendeels werd goedgekeurd. Verzoekers stelden beroep in tegen dit besluit en vroegen om voorlopige voorzieningen.

Verzoeker sub 1 stelde dat een amendement onjuist was verwerkt, waardoor het plan ruimere bebouwingsmogelijkheden bood dan beoogd, met name nabij een waterpartij. De Voorzitter oordeelde dat de uitvoering van het amendement, waarbij een afstand van vier meter tot de waterkant als scheiding gold, overeenkomt met de bedoeling van de gemeenteraad en niet strijdig is met het beleid van het waterschap.

Verzoeker sub 2 klaagde dat de goedkeuring aan het plandeel 'Winkels' was onthouden, waardoor zijn bouwplan niet doorgang kon vinden. De Voorzitter stelde vast dat schorsing van het besluit onvoldoende zou zijn en dat een voorlopige goedkeuring slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden gegeven, wat hier niet aan de orde was.

Gezien het belang van het plan en het ontbreken van onrechtmatigheden of uitzonderlijke omstandigheden, wees de Voorzitter de verzoeken om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening tegen het bestemmingsplan Haaksbergen-Dorp worden afgewezen.

Uitspraak

200500326/2.
Datum uitspraak: 18 maart 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
1.    [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],
2.    [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2004 heeft de gemeenteraad van Haaksbergen het bestemmingsplan "Haaksbergen-Dorp" vastgesteld.
Bij besluit van 2 november 2004, kenmerk RWB/2004/1398 heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.
Tegen dit besluit hebben [verzoeker sub 1] bij faxbericht van 12 januari 2005, en [verzoeker sub 2] bij faxbericht van 13 januari 2005 beroep ingesteld.
Bij faxbericht van 13 januari 2005 heeft [verzoeker sub 1] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij faxbericht van 13 januari 2005 heeft [verzoeker sub 2] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 14 maart 2005, waar [verzoeker sub 1] in persoon en bijgestaan door mr. W.G.C. Wijsman, gemachtigde, [verzoeker sub 2] in persoon en bijgestaan door mr. D. Pool, advocaat te Zwolle, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A. van Maurik, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts zijn de gemeenteraad van Haaksbergen, vertegenwoordigd door J. Deunk, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door E.F.J.A.M. de Wit, advocaat te Leusden, daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor een deel van de bebouwde kom van Haaksbergen. Verweerder heeft bij zijn besluit grotendeels goedkeuring aan het plan verleend.
2.3.    [verzoeker sub 1] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woonhuizen" voorzover deze bestemming is toegekend aan gronden op korte afstand van de waterpartij achter [locatie 1]. Hij voert aan dat een bij de vaststelling van het plan door de gemeenteraad aangenomen amendement onjuist in het plan is verwerkt, waardoor het plan voor de genoemde gronden in ruimere bebouwingsmogelijkheden voorziet dan door de gemeenteraad werd beoogd. Dergelijke bebouwingsmogelijkheden op korte afstand van een waterpartij zijn bovendien in strijd met het beleid van het waterschap Regge en Dinkel, aldus verzoeker.
2.3.1.    In het door verzoeker bedoelde amendement is vermeld dat als scheiding tussen wat als erf en wat als bestemming tuinen wordt aangemerkt de huidige kadastrale lijn, aangegeven op de plankaart van het vigerende bestemmingsplan "Haaksbergen dorp", moet worden aangehouden. Ter zitting is aannemelijk gemaakt dat de bedoelde kadastrale lijn dateert van vóór de verkaveling van de gronden ten behoeve van de aanleg van de woonwijk. Aangezien de kadastrale lijn niet overeenstemt met de in de woonwijk thans bestaande verkaveling, is het amendement redelijkerwijs niet uitvoerbaar overeenkomstig de letterlijke tekst daarvan. Onder deze omstandigheden acht de Voorzitter het niet onjuist dat bij de tenuitvoerlegging van het amendement aansluiting is gezocht bij de kennelijke bedoeling van de gemeenteraad bij het aannemen van het amendement zoals deze blijkt uit de overwegingen daarvan. Daarin is, voorzover hier van belang, vermeld dat het ongewenst is dat op korte afstand van waterpartijen bouwwerken worden opgericht en is een afstand van vier meter tot de oever van de waterpartijen genoemd. De in het plan aan het amendement gegeven uitvoering, waarbij aan de gronden tot een afstand van vier meter van de oever van waterpartijen de bestemming "Tuinen" is toegekend, welke bestemming niet voorziet in de mogelijkheid bouwwerken van wezenlijke omvang op te richten, komt naar het oordeel van de Voorzitter overeen met de bedoeling van het amendement.
De Voorzitter acht de gekozen wijze van tenuitvoerlegging van het amendement, gelet op de aangehouden afstand tot de oever van waterpartijen, op voorhand evenmin in strijd met het door verzoeker bedoelde beleid van het waterschap. Verweerder behoefde in deze in het plan gegeven uitvoering van het amendement dan ook geen aanleiding te zien om goedkeuring aan het plan te onthouden.
2.3.2.    Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen het belang dat is gediend met uitvoering van het plan, ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient te worden afgewezen.
2.4.    [verzoeker sub 2] stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Winkels" voor de gronden aan de [locatie 2]. Hij voert aan dat als gevolg van deze onthouding van goedkeuring zijn bouwplan voor deze gronden geen doorgang kan vinden.
Het besluit van verweerder is op dit punt gebaseerd op onjuiste feiten en getuigt niet van een zorgvuldige belangenafweging, aldus verzoeker.
2.4.1.    De Voorzitter stelt vast dat verzoeker niet is gebaat bij uitsluitend schorsing van het bestreden besluit. Daardoor wordt immers de gewenste bouw planologisch niet mogelijk gemaakt. Verzoeker zou slechts gebaat kunnen zijn met een schorsing van het bestreden besluit, indien voorts de voorlopige voorziening wordt getroffen dat het desbetreffende plandeel moet worden geacht te zijn goedgekeurd. Naar het oordeel van de Voorzitter is het treffen van een dergelijke voorlopige voorziening, gelet op het karakter van een beslissing tot onthouding van goedkeuring, in het algemeen te verstrekkend. Hiertoe zal slechts in uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden overgegaan. Van uitzonderlijke omstandigheden is naar het oordeel van de Voorzitter in dit geval geen sprake. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst de verzoeken af.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Buuren    w.g. Rop
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2005
417.