ECLI:NL:RVS:2005:AT1958
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- R.H.L. Dallinga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere subsidievaststelling wegens ontbreken accountantsverklaring
Het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel stelde de subsidie voor appellante over de periode 1 september 2001 tot en met 31 december 2001 vast op € 10.361,40. Appellante maakte bezwaar tegen deze vaststelling, dat door het college en vervolgens door de rechtbank ongegrond werd verklaard. Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de eis van het college dat appellante een accountantsverslag overlegt bij de subsidievaststelling, zoals voorgeschreven in de Algemene subsidieverordening gemeente Son en Breugel 1988. Appellante voerde aan dat deze eis onredelijk was, omdat zij de kosten niet kon dragen en de eis niet tijdig was gesteld. Ook stelde zij dat het college de vaststellingsperiode te laat had vastgesteld en dat zij schade had geleden door de lagere vaststelling.
De Raad van State oordeelde dat het college in redelijkheid een accountantsverslag mocht verlangen gezien het belang van verantwoording van overheidsmiddelen. De termijnoverschrijding was een termijn van orde zonder sanctie en had appellante niet geschaad. De gestelde schade was het gevolg van het niet voldoen aan de voorwaarde en kon appellante niet worden toegerekend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de subsidievaststelling bevestigd.