Uitspraak
200104455/1, het besluit van het college van 19 oktober 1999, waarbij alsnog is geweigerd appellant vergunning te verlenen voor het uitbreiden van de onderhavige dakkapel, in rechte onaantastbaar is geworden.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Haaren legde appellant een last onder dwangsom op om de zonder bouwvergunning gerealiseerde uitbreiding van een dakkapel te verwijderen. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het besluit bevestigde. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat bouwen zonder vergunning verboden is op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet. Het college was bevoegd handhavend op te treden en diende dit in principe ook te doen, tenzij bijzondere omstandigheden of uitzicht op legalisatie aanwezig zijn. De rechtbank had terecht geoordeeld dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestond, mede omdat een eerdere vergunningverlening onherroepelijk was geweigerd.
Appellants beroep op vertrouwen in een vermeend onherroepelijke vergunning faalde, omdat hij op de hoogte was van bezwaarprocedures en de mogelijkheid tot bezwaar. Ook het feit dat appellant de dakkapel grotendeels vóór vergunningaanvraag had gebouwd, bracht risico's met zich mee die voor zijn rekening blijven. Aanpassingen aan de dakkapel en een latere vergunningaanvraag konden in hoger beroep niet in aanmerking worden genomen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit wordt bevestigd.