Uitspraak
200206222/1(AB 2003, 355) niet worden afgeleid dat het oordeel van de voorzieningenrechter, dat ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan een loods stond op de plek waar thans loods A staat, hier bindend zou zijn, omdat het dagelijks bestuur tegen de onderhavige uitspraak van de voorzieningenrechter geen hoger beroep heeft ingesteld. De voorzieningenrechter heeft immers tevens geoordeeld, dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften en dat van een vrijstelling als bedoeld onder b, van voormeld artikellid evenmin is gebleken, zodat er voor het dagelijks bestuur geen aanleiding was om voor wat betreft het oordeel van de voorzieningenrechter met betrekking tot loods A hoger beroep in te stellen. De situatie dat een deel van de beroepsgronden is gehonoreerd en een ander deel is verworpen, zodat naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter een nieuwe beslissing op bezwaar zou moeten worden genomen met inachtneming van de uitspraak, doet zich hier anders dan in de situatie waarop de genoemde uitspraak van 6 augustus 2003 betrekking heeft, niet voor.