ECLI:NL:RVS:2005:AS8418
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen afwijzing schadevergoeding bouwvergunning
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best om vergoeding van kosten die hij maakte in verband met een aanvraag om een bouwvergunning. Dit verzoek werd op 2 juni 2003 afgewezen en het daaropvolgende bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard door het college. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant stelde dat het college onterecht het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard, omdat het vertrouwen was gewekt door uitlatingen van ambtenaren dat een bouwvergunning zou worden verleend. De Raad van State overwoog dat de beslissing op het verzoek om schadevergoeding een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, maar dat de bestuursrechter alleen bevoegd is om beroep te behandelen als hij ook bevoegd is over het onderliggende besluit te oordelen.
De uitlatingen van ambtenaren worden echter aangemerkt als feitelijke handelingen waartegen geen beroep mogelijk is. Hierdoor is de bestuursrechter niet bevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. De Raad van State bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.