Uitspraak
200203860/1waren in de heroverweging andere voorschriften aan de geconstateerde overtreding ten grondslag gelegd en daarmee was de grondslag van het primaire besluit verlaten.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Veghel verleende op 2 mei 2003 een bouwvergunning voor het oprichten van een kantoor op een perceel in Veghel. Appellant maakte bezwaar tegen deze vergunning vanwege strijdigheid met de gemeentelijke bouwverordening en de overschrijding van de achtergevelrooilijn. Het college verklaarde het bezwaar deels gegrond en verleende ontheffing voor de overschrijding van de achtergevelrooilijn.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van het college ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het college ten onrechte ontheffing verleende op grond van artikel 2.5.14, aanhef en onder g, van de bouwverordening, omdat kantoorhoudende bedrijvigheid niet valt onder handels- of industrieterrein. Tevens werd geoordeeld dat de aanleg van parkeerplaatsen in strijd is met de bestemming "Tuinen en erven waarop kleine bedrijven en werkplaatsen zijn toegelaten".
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het besluit van het college en de uitspraak van de voorzieningenrechter, en wees het verzoek om schadevergoeding af. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant. De zaak werd terugverwezen voor een nieuw besluit dat in overeenstemming moet zijn met deze uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het college wordt vernietigd wegens onjuiste ontheffing en strijdig gebruik parkeerplaatsen.