ECLI:NL:RVS:2005:AS6202

Raad van State

Datum uitspraak
10 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200500432/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • E.J. Nolles
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WROArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vrijstelling aanleg Nijreessingel Almelo

Het college van burgemeester en wethouders van Almelo verleende op 6 april 2004 vrijstelling voor de aanleg van de Nijreessingel, een weggedeelte tussen de Bornerbroeksestraat en de Bornsestraat. Verzoekers maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank Almelo verklaarde het beroep van verzoekers gegrond, vernietigde het besluit op bezwaar, maar handhaafde de rechtsgevolgen van de besluiten.

Verzoekers vroegen vervolgens bij de Raad van State om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de vrijstelling te schorsen. De Voorzitter behandelde het verzoek op 4 februari 2005, waarbij partijen werden gehoord.

De Voorzitter overwoog dat besluiten in het algemeen uitvoerbaar zijn ondanks het instellen van rechtsmiddelen, zeker als de rechtbank de rechtsgevolgen in stand laat. Er was geen reden om aan te nemen dat de uitspraak in de bodemprocedure niet zou standhouden of dat de vrijstelling onrechtmatig was verleend. Het college had overleg gevoerd met twee verzoekers over compensatie voor verminderde bereikbaarheid van hun bedrijf en had verschillende voorstellen gedaan. De belangenafweging was zorgvuldig uitgevoerd, mede gezien het grote algemene belang van de aanleg van het sluitstuk van de verkeersring rond Almelo.

Gelet op deze omstandigheden wees de Voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de vrijstelling voor de aanleg van de Nijreessingel wordt afgewezen.

Uitspraak

200500432/2.
Datum uitspraak: 10 februari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van onder meer:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 16 december 2005 in het geding tussen:
verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van Almelo.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) verleend voor de aanleg van de Nijreessingel, weggedeelte tussen de Bornerbroeksestraat en de Bornsestraat.
Bij besluit van 25 juni 2004, verzonden bij brief van 28 juni 2004, heeft het college het daartegen door onder meer verzoekers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 december 2004, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door onder meer verzoekers ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de door verzoekers bestreden besluiten in stand blijven.
Tegen deze uitspraak hebben onder meer verzoekers bij brief van 14 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 14 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 februari 2005, waar [een der verzoekers] in persoon, bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.C. Lampe, advocaat te Almelo, en J. Gehring, projectleider, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit geldt temeer, indien, zoals in dit geval de rechter in eerste aanleg het besluit heeft getoetst en de rechtsgevolgen van de primaire besluiten in stand heeft gelaten, omdat hij de daartegen ingebrachte bezwaren ongegrond heeft geoordeeld.
2.2.    In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal worden geconcludeerd dat de vrijstelling niet verleend had mogen worden. In dit verband is van belang dat het college met [twee verzoekers] in overleg is over de te nemen compenserende maatregelen voor de verminderde bereikbaarheid van hun bromfiets- en motoronderdelenbedrijf als gevolg van de aanleg van de weg en daartoe aan deze verzoekers verschillende voorstellen heeft gedaan. Verzoekers wensen echter volledige vergoeding van alle kosten. Anders dan verzoekers stellen, vereist de uit te voeren belangenafweging dat het college bij de verlening van de vrijstelling in voldoende mate heeft onderzocht of het belang van de langs het tracé gelegen bedrijven op ongehinderde voortzetting van hun bedrijfsactiviteiten moet wijken voor de belangen gemoeid met de vrijstelling van de bestemming. Een aan te bieden compensatie kan onderdeel uitmaken van die belangenafweging. Op voorhand is niet gebleken dat het college met de geboden compensatievoorstellen die belangenafweging onvoldoende zorgvuldig heeft uitgevoerd. Voorts betreft dit tracé, van 2,2 km, het sluitstuk van de, voor het overige reeds aangelegde, buitenste verkeersring rond Almelo ter oplossing van de knelpunten in de verkeersdoorstroming en ter verbetering van de verkeersveiligheid en van de leefbaarheid in Almelo-zuid. Met de onmiddellijke uitvoering van de vrijstelling is derhalve een groot algemeen belang gediend. Onder die omstandigheden en gelet op de betrokken belangen bestaat geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening. Het verzoek daartoe dient te worden afgewezen.
2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn    w.g. Nolles
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2005
291.