ECLI:NL:RVS:2005:AS6175

Raad van State

Datum uitspraak
8 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200407528/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.C.K.W. Bartel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 11 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 26 planvoorschriften bestemmingsplan Noord
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen wijzigingsbevoegdheid bestemmingsplan Noord Breukelen

De gemeenteraad van Breukelen stelde op 25 november 2003 het bestemmingsplan 'Noord' vast, dat een gedetailleerde en conserverende regeling bevat voor het noordelijke deel van Breukelen. Het college van gedeputeerde staten van Utrecht verleende op 29 juni 2004 goedkeuring aan dit plan, inclusief een wijzigingsbevoegdheid in artikel 26 van Pro de planvoorschriften.

Verzoeker stelde dat deze wijzigingsbevoegdheid, met betrekking tot het winkelcentrum en de garage aan de Karel Doormanweg, ten onrechte was goedgekeurd. De wijzigingsbevoegdheid maakt het mogelijk om bestemmingen binnen bepaalde zones te wijzigen, onder voorwaarden, om in te spelen op functieveranderingen zoals uitbreiding van wonen.

Tijdens de zitting op 11 januari 2005 verklaarden zowel de gemeenteraad als het college van burgemeester en wethouders dat zij niet op korte termijn gebruik zullen maken van deze wijzigingsbevoegdheid. De Voorzitter oordeelde daarom dat er geen spoedeisend belang bestond om een voorlopige voorziening te treffen en wees het verzoek af.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door Voorzitter J.C.K.W. Bartel op 8 februari 2005.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan Noord te Breukelen is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

200407528/2.
Datum uitspraak: 8 februari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2003 heeft de gemeenteraad van Breukelen het bestemmingsplan "Noord" vastgesteld.
Bij besluit van 29 juni 2004, no. 2004REG001592i, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.
Tegen dit besluit heeft onder meer verzoeker bij brief van 19 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2004, beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 januari 2005, waar verweerder, vertegenwoordigd door ir. M.J. Buruma, ambtenaar van de provincie, is verschenen.
Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraad van Breukelen, vertegenwoordigd door A.F.J.M. Emmelot, ambtenaar van de gemeente, en [gemachtigde] van [partij].
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Het plan is opgesteld ter vervanging van het bestemmingsplan "Noord 1976" en voorziet in een gedetailleerde en conserverende juridische regeling voor het noordelijke gedeelte van de kern Breukelen.
2.3.    Verzoeker stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de in artikel 26 van Pro de planvoorschriften neergelegde wijzigingsbevoegdheid, voorzover deze betrekking heeft op het winkelcentrum en de garage aan de Karel Doormanweg.
2.4.    Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, heeft de wijzigingsbevoegdheid, ex artikel 11 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening, betrekking op de percelen met de bestemming "Bedrijven" en "Detailhandel", voorzover gelegen in de zone aangegeven in bijlage 2 bij de planvoorschriften, en strekt deze bevoegdheid ertoe om in te spelen op een mogelijke functieverandering of- uitbreiding in wonen met de daarbij behorende voorzieningen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening de bestemmingen van gronden gelegen binnen op de kaart en in de bijlage bij de voorschriften aangegeven zones A tot en met D wijzigen met inachtneming van hetgeen hieronder is bepaald. In het derde lid van dit artikel, onder f, zijn onder B en D vereisten opgenomen voorzover het betreft het winkelcentrum en de garage aan de Karel Doormanweg.
Ter zitting is van de zijde van zowel de gemeenteraad als verweerder aangegeven dat het college van burgemeester en wethouders niet op korte termijn en in ieder geval niet voor het dienen van de bodemzaak gebruik zal maken van de hiervoor bedoelde wijzigingsbevoegdheid. De Voorzitter is dan ook van oordeel dat niet kan worden gesproken van een spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek van [verzoeker] dient mitsdien te worden afgewezen.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel    w.g. Kooijman
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2005
177-445.