ECLI:NL:RVS:2005:AS5498

Raad van State

Datum uitspraak
9 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200405610/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T.M.A. Claessens
  • E.J. Nolles
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 52 Woningwet
Verwijzingen
10 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling belanghebbende bij bouwvergunning voor opslagruimte en werkplaats

Het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode verleende op 1 juli 2003 een bouwvergunning voor het oprichten van een opslagruimte annex werkplaats op een perceel te Sint-Oedenrode. Appellant maakte bezwaar tegen deze vergunning, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat appellant geen rechtstreeks belang had bij het besluit.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel degelijk belanghebbende was, omdat hij vanaf zijn perceel zicht had op het bouwwerk en de rechtbank ten onrechte de coördinatieregeling van artikel 52 Woningwet Pro niet had betrokken. De Raad van State overwoog dat de afstand tussen het perceel van appellant en het bouwperceel ongeveer 340 meter bedraagt, met tussenliggende bebouwing en bomen, waardoor appellant vanuit zijn woning geen zicht heeft op het bouwperceel. Vanaf een deel van zijn grond was een beperkt zicht mogelijk, maar dit was onvoldoende om van een rechtstreeks belang te spreken.

De Raad van State bevestigde dat de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan gering is en dat het belang van appellant niet onderscheidend is ten opzichte van anderen. De coördinatieregeling uit artikel 52 Woningwet Pro is niet relevant voor het oordeel over het belang bij de bouwvergunning. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200405610/1.
Datum uitspraak: 9 februari 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Sint Oedenrode,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 mei 2004 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een opslagruimte annex werkplaats op het perceel [locatie] te Sint-Oedenrode (hierna: het bouwperceel).
Bij besluit van 29 oktober 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 25 mei 2004, verzonden op 26 mei 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 11 oktober 2004 heeft het college van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en van de vergunninghouder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2005, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door W.F.M. van Gurp-Steenbakkers, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door drs. F. Kastelijn, gemachtigde.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2.2.    Appellant komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn belang niet rechtstreeks is betrokken bij de verleende bouwvergunning. Hiertoe heeft appellant betoogd dat hij vanaf het meest zuidelijke deel van zijn perceel het hele bouwwerk kan zien. Ook heeft de rechtbank, naar zijn stelling, ten onrechte de in artikel 52 van Pro de Woningwet neergelegde koppeling met de procedure voor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer niet in haar overwegingen betrokken, in welke procedure hij wel belanghebbende is.
2.3.    Niet is betwist de overweging van de rechtbank dat de kortste afstand tussen het perceel waarop de woning van appellant staat en het bouwperceel ongeveer 340 meter bedraagt en dat zich tussen de woning en het bouwperceel agrarische bebouwing, woningen en bomen bevinden. Vanuit zijn woning heeft appellant geen zicht op het bouwperceel. Vanaf de meest oostelijk gelegen hoek van zijn gronden kan appellant een gering deel van het bouwwerk zien en vanaf het meest zuidelijke deel – op een afstand van ongeveer 435 meter – is het hele bouwwerk zichtbaar. Gelet op de relatief geringe ruimtelijke uitstraling van het bouwplan, heeft dit echter niet tot gevolg dat de woon- en leefomgeving van appellant daardoor zal worden beïnvloed. Bovendien heeft de omstandigheid dat appellant vanaf een dergelijke afstand zicht heeft op het bouwperceel onvoldoende onderscheidend vermogen ten opzichte van vele anderen. De rechtbank heeft dan ook terecht en op juiste gronden geoordeeld dat het belang van appellant niet rechtstreeks is betrokken bij het bouwplan. De rechtbank behoefde, anders dan appellant heeft betoogd, in zijn oordeel niet de in artikel 52 van Pro de Woningwet opgenomen coördinatieregeling te betrekken. De mogelijkheid om beroep te kunnen instellen tegen een krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning is, anders dan de hier aan de orde zijnde bezwaarschriftenprocedure, niet beperkt tot belanghebbenden maar kan niet mede het belang als bedoeld in artikel 1:2 van Pro de Awb bepalen bij het besluit tot afgifte van de bouwvergunning.
2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens    w.g. Nolles
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2005
291.