Uitspraak
199902938/2en
199902821/2, heeft de Afdeling de besluiten van verweerder van 21 september 1999 vernietigd.
Raad van State
In deze zaak heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bezwaar gemaakt tegen het voornemen van appellante om gemengd stedelijk afval naar Duitsland uit te voeren. De staatssecretaris beriep zich op het zelfverzorgingsbeginsel en het Nederlandse beleid om de binnenlandse eindverwijderingsstructuur te beschermen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat in 1999 de Nederlandse afvalverbrandingsinstallaties (AVI's) volledig benut waren, maar dat er voldoende stortcapaciteit aanwezig was om het overschot aan brandbaar afval te verwerken. De staatssecretaris had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de uitvoer de continuïteit van de Nederlandse eindverwijderingsstructuur in gevaar bracht.
Verder stelde de Afdeling vast dat het bezwaar van de staatssecretaris in strijd was met het beginsel van zelfverzorging op communautair en nationaal niveau zoals bedoeld in de Verordening 259/93/EEG en het EU-Verdrag, met name artikel 29 EG Pro. Ook was geen rekening gehouden met de geografische nabijheid van de Duitse verbrandingsinstallaties.
De beroepen van appellante werden gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en de besluiten van 17 mei 1999 herroepen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bezwaar van de staatssecretaris tegen de uitvoer van gemengd stedelijk afval naar Duitsland wordt vernietigd en de besluiten van 17 mei 1999 worden herroepen.