Uitspraak
200410516/1 en 200410522/1.
Raad van State
Smink Afvalverwerking B.V. kreeg op 24 december 2004 een last onder dwangsom opgelegd door het college van gedeputeerde staten van Utrecht wegens overtreding van artikel 1 van Pro het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg op 30 december 2004 bij de Raad van State om een voorlopige voorziening.
De Voorzitter behandelde het verzoek op 3 januari 2005, waarbij partijen en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer werden gehoord. De kern van het geschil betrof de uitleg van een ontheffing verleend op 2 november 2004, die volgens verzoekster ook het storten van dakbedekkingafval toestond.
De Raad oordeelde dat de ontheffing niet beperkt was tot andere afvalstoffen en dat het storten van dakbedekkingafval daarmee was toegestaan. De latere interpretatie van verweerder dat dit niet het geval was, werd niet als een besluit tot gedeeltelijke intrekking aangemerkt. Daarom was het last onder dwangsom onterecht opgelegd.
De Voorzitter schorst het besluit van 24 december 2004 en veroordeelt de provincie Utrecht tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan verzoekster. Hiermee wordt de handhaving tegen Smink Afvalverwerking B.V. voorlopig buiten werking gesteld.
Uitkomst: Het last onder dwangsom wordt geschorst en de provincie Utrecht wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.