Uitspraak
200410650/1– bij besluit van 2 november 2004, kenmerk 2004WEM004815i, ontheffing verleend tot 1 januari 2005.
Raad van State
Verzoekster, Smink Afvalverwerking B.V., heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van de minister en het college van gedeputeerde staten van Utrecht die weigerden een verklaring en ontheffing te verlenen voor het storten van composieten dakbedekkingafval. Dit afval bestaat uit met andere materialen verkleefde dakbedekking die volgens verzoekster niet verder verwerkbaar is.
De minister baseerde zijn weigering op overleg met de Alliantie Total Roof Recycling, waarin werd gesteld dat er op korte termijn voldoende verwerkingsmogelijkheden voor dakbedekkingafval beschikbaar zijn. Verzoekster betwist dit voor de specifieke composieten die zij stort en stelt dat geen bedrijven vergunning hebben om deze te verwerken.
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de minister onvoldoende concrete informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat verwerking van de composieten mogelijk is. De eerdere opeenvolgende ontheffingen en het ontbreken van bewijs voor alternatieve verwerking leiden tot het oordeel dat de weigering niet op goede gronden is gebaseerd.
Daarom wordt het besluit van de minister en het college geschorst en wordt de ontheffing voor het storten van de composieten dakbedekkingafval voorlopig verleend. Tevens worden de proceskosten aan verzoekster toegekend en vergoed door de Staat en de provincie Utrecht.
Uitkomst: De Raad van State schorst de weigering van ontheffing en verklaart de ontheffing voor het storten van composieten dakbedekkingafval voorlopig van kracht.