ECLI:NL:RVS:2005:1
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep tegen ministeriële besluiten
Appellant heeft bij besluiten van 27 januari 2005 en 14 februari 2005 van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen gekregen. De rechtbank 's-Gravenhage heeft deze afwijzingen op 19 april 2005 bevestigd. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep klaagde appellant terecht dat de rechtbank niet had onderzocht of zijn uitzetting naar de Democratische Republiek Congo (DRC) in strijd zou zijn met de artikelen 2 en 3 EVRM, omdat hij naar Zuid-Afrika zou worden uitgezet. De Raad overwoog echter dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat uitzetting naar de DRC een reëel risico op schending van deze verdragsbepalingen oplevert, mede gelet op een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Verder oordeelde de Raad dat het aangevoerde in het hoger beroep geen vragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming. Ook de klacht over de toepassing van artikel 4:6 Awb Pro faalde, omdat deze bepaling ook zonder onherroepelijke eerdere afwijzing kan worden toegepast.
De Raad verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de aangevallen uitspraken, zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 2 augustus 2005.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.