ECLI:NL:RVS:2004:AR8360

Raad van State

Datum uitspraak
29 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200403443/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 WoningwetArt. 4.1 bouwverordening gemeente Weert
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bouwvergunning voor kassen wegens niet tijdig starten bouwwerkzaamheden

Het college van burgemeester en wethouders van Weert trok bij besluit van 8 oktober 2002 de bouwvergunning voor het realiseren van kassen gedeeltelijk in, omdat niet binnen 26 weken na onherroepelijkheid van de vergunning met de bouwwerkzaamheden was gestart. De vergunning voor een werktuigenloods bleef van kracht omdat daarvoor wel was begonnen.

Appellant maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Roermond verklaarde het beroep tegen het intrekkingsbesluit eveneens ongegrond. Appellant stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college bevoegd was de vergunning gedeeltelijk in te trekken op grond van artikel 59 van Pro de Woningwet en de gemeentelijke bouwverordening. Het feit dat appellant niet aannemelijk had gemaakt binnen korte termijn te zullen starten met de bouw van de kassen, en de gewijzigde planologische inzichten en belangen van omwonenden, rechtvaardigden het besluit.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bouwvergunning voor de kassen wordt bevestigd.

Uitspraak

200403443/1.
Datum uitspraak: 29 december 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [plaats], [land],
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 maart 2004 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Weert.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Weert (hierna: het college) de op 12 januari 2000 aan appellant verleende bouwvergunning voor het realiseren van kassen en een (werktuigen)loods aan de Bergsheisteeg/Bocholterweg ingetrokken, voor zover het de bouw van kassen betreft.
Bij besluit van 18 februari 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 maart 2004, verzonden op 15 maart 2004, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 mei 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 17 juni 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2004, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door M.J.H.H. Beeren-Keijers, ambtenaar van de gemeente Weert, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals dit artikel sedert 1 januari 2003 luidt, kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien binnen de in de bouwverordening genoemde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden. In artikel 4.1. van de bouwverordening van de gemeente Weert is die termijn bepaald op 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning.
De bouwvergunning is onherroepelijk geworden op 19 mei 2000. Vast staat dat niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning een aanvang is gemaakt met de bouwwerkzaamheden voor de kassen. Met de bouw van de werktuigenloods is wel een aanvang gemaakt. Nu deze loods ook naar het oordeel van de Afdeling zelfstandig ten dienste kan staan aan de uitoefening van een agrarisch bedrijf, heeft de rechtbank met recht geoordeeld dat het college bevoegd was de bouwvergunning gedeeltelijk in te trekken.
2.2.    De omstandigheid dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt  dat hij alsnog binnen korte termijn van de bouwvergunning gebruik zal maken, levert reeds voldoende belang op om het gedeeltelijk intrekken van de bouwvergunning te rechtvaardigen. Bij de te maken belangenafweging heeft het college voorts op goede gronden gewicht toegekend aan gewijzigde planologische inzichten en aan de belangen van omwonenden van het perceel.
2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump    w.g. Tulmans
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2004
53-381.