ECLI:NL:RVS:2004:AR8343

Raad van State

Datum uitspraak
29 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200402698/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15.13 WmArt. 2 Subsidieregeling milieugerichte technologie 2003Art. 11 Subsidieregeling milieugerichte technologie 2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag milieugerichte technologie wegens onvoldoende financieringszicht

Appellante, HGP Systems Integration B.V., heeft bij besluit van 12 november 2003 een subsidieaanvraag ingediend op grond van de Subsidieregeling milieugerichte technologie 2003 voor het project “With methanol from biomass to biomobile”. Deze aanvraag is door verweerder, de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, afgewezen vanwege onvoldoende zicht op de financiering van de keten en het ontbreken van aannemelijkheid dat de eindgebruiker zal deelnemen.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, dat bij besluit van 19 februari 2004 ongegrond is verklaard. Vervolgens heeft appellante beroep ingesteld bij de Raad van State. Tijdens de zitting op 22 oktober 2004 zijn de standpunten van partijen behandeld.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat de tweede afwijzingsgrond, het ontbreken van aannemelijkheid van deelname van de eindgebruiker, onbestreden is gebleven en zelfstandig de afwijzing draagt. De Afdeling concludeert dat de subsidie terecht is geweigerd en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

200402698/1.
Datum uitspraak: 29 december 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "HGP Systems Integration B.V.", gevestigd te Wassenaar,
appellante,
en
de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 12 november 2003 heeft verweerder de aanvraag van appellante om subsidie op grond van de Subsidieregeling milieugerichte technologie 2003 voor het project “With methanol from biomass to biomobile” afgewezen.
Bij besluit van 19 februari 2004, verzonden op diezelfde dag, heeft verweerder het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 april 2004.
Bij brief van 19 mei 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ozinga, advocaat te 's-Gravenhage, en D.E. Hielema en P. Slootweg, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J. Martens en drs. B. du Pré, gemachtigden, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 15.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm) kan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen activiteiten op het gebied van milieubeheer subsidie verstrekken.
2.1.1.    Bij besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 januari 2003 is, gelet op artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wm, de Subsidieregeling milieugerichte technologie 2003 (Stcrt. 2003, 20; hierna: de Subsidieregeling) vastgesteld.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Subsidieregeling, voor zover hier van belang, kan subsidie worden verleend, indien de subsidieaanvrager in hoofdzaak in Nederland een project uitvoert dat, mede gelet op in het tweede lid genoemde aspecten, voor zover deze van toepassing zijn, naar het oordeel van de minister in voldoende mate bijdraagt aan de realisatie van de doelstellingen van een subsidieprogramma als bedoeld in deze regeling.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel, aanhef en onder d, is één van de aspecten, bedoeld in het eerste lid, de slaagkans van het project.
Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, aanhef en ten tweede, van de Subsidieregeling, komt een project voor subsidie in aanmerking indien het een demonstratieproject betreft waarbij demonstratie van de gehele keten plaatsvindt vanaf de productie van de grondstof tot en met de levering van de energiedrager aan de eindgebruiker.
2.2.    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 19 februari 2004 heeft verweerder de aanvraag van appellante om subsidie afgewezen omdat er onvoldoende zicht is op de financiering van de keten en appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de eindgebruiker van de energiedrager zal deelnemen aan het project.
2.2.1.    Appellante beperkt haar beroep tot de eerste afwijzingsgrond. In haar beroepschrift verwijst zij naar het in bezwaar aangevoerde en verzoekt zij dit als herhaald en ingelast te beschouwen. Zij heeft echter geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de bezwaren tegen de tweede afwijzingsgrond – dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de eindgebruiker van de energiedrager zal deelnemen aan het project - in het bestreden besluit onjuist zouden zijn. Ook overigens is niet gebleken dat die weerlegging onjuist is. Voorzover ter zitting de tweede afwijzingsgrond is aangevochten, laat de Afdeling dit betoog als zijnde te laat om daarop nog naar behoren te kunnen reageren door verweerder en daarom in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing. Niet is gebleken dat appellante deze beroepsgrond niet eerder heeft kunnen opwerpen.
De tweede afwijzingsgrond moet als onbestreden worden aangemerkt. Deze draagt de afwijzing zelfstandig. De Afdeling concludeert daarom dat de subsidie in zoverre terecht is geweigerd. Het beroep kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
2.3.    Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.
w.g. Zwart    w.g. Groenendijk
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2004
164-465.