ECLI:NL:RVS:2004:AR8001
Raad van State
- Hoger beroep
- R.R. Winter
- H.G. Lubberdink
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over bijdrageheffing projectsteun 2002 door Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting
Het bestuur van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting legde aan de rechtsvoorgangsters van appellante een bijdrageheffing projectsteun 2002 op, gebaseerd op de Woningwet en het Besluit Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (BCFV). Appellante betwistte de heffing en stelde dat de besluitvorming gebrekkig was, dat de heffing een sanctie zou zijn, en dat de heffing onredelijk en onrechtvaardig was vanwege de hoogte en spreiding.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de besluiten, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Raad van State oordeelde dat het bestuur bevoegd was de bijdrageheffing op te leggen, ook al waren de procedures rond de ministeriële instemming later voltooid. De tariefsdifferentiatie is geen sanctie maar een prikkel voor gelijkmatiger verdeling van gelden. De heffing in 2002 was niet onredelijk ondanks de verschillen in weerstandsvermogen en de nihil-heffing in 2003.
Ten aanzien van het verzoek om kwijtschelding wegens fusie met een andere corporatie oordeelde de Raad dat alleen fusies met corporaties in categorie D, C of B3 als financiële bijdrage tellen, niet met categorie A zoals hier. Appellante had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een financieel kwantificeerbare bijdrage had geleverd. Het hoger beroep is daarom ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de bijdrageheffing projectsteun 2002 terecht is opgelegd en het verzoek om kwijtschelding ongegrond is.