ECLI:NL:RVS:2004:AR7986
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- K. Brink
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- H. Borstlap
- Rechtspraak.nl
Intrekking vergunning grondwateronttrekking Zuidelijk Flevoland wegens beleidswijziging
Appellante had een vergunning voor het onttrekken van zoet grondwater uit het derde watervoerend pakket in Zuidelijk Flevoland voor veedrenking. Verweerder, het college van gedeputeerde staten van Flevoland, trok deze vergunning in op grond van artikel 24 van Pro de Grondwaterwet, omdat de onttrekking niet langer toelaatbaar werd geacht vanwege beleidswijzigingen die prioriteit geven aan de openbare drinkwatervoorziening.
Appellante voerde aan dat leidingwater geen geschikt alternatief is vanwege mogelijke leveringsproblemen, gezondheidsrisico's voor vee en financiële lasten. Verweerder stelde dat het beleid sinds 1983 gericht is op reservering van grondwater voor drinkwater en dat Hydron Flevoland N.V. als waterleverancier kan voldoen aan haar leveringsplicht, waarbij leidingwater via buffertanks of directe aansluiting geleverd kan worden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het beleid niet onredelijk is en dat het gebruik van leidingwater een geschikt alternatief vormt. De zorgen over kwaliteit en leveringszekerheid werden onvoldoende onderbouwd. Ook de financiële lasten en het gelijkheidsbeginsel boden geen grond voor vernietiging. De intrekking past binnen het provinciale waterbeleid en beschermt de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de vergunning voor grondwateronttrekking wordt ongegrond verklaard.