ECLI:NL:RVS:2004:AR7968

Raad van State

Datum uitspraak
16 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200409164/1 en 200409164/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • S.W. Schortinghuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 19 lid 3 WroArt. 20 Bro
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak bestuursdwang illegale salonwagen en tuinhuisjes

Het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen heeft op 24 september 2003 bestuursdwang aangezegd tegen een illegaal geplaatste salonwagen en tuinhuisjes die zonder bouwvergunning waren geplaatst op grond met bestemming 'Agrarische doeleinden'. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 18 juni 2004 ongegrond verklaard.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht verklaarde het beroep tegen het bestuursdwangbesluit op 30 september 2004 ongegrond. Hiertegen is hoger beroep ingesteld bij de Raad van State, die tevens werd verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Raad van State oordeelt dat de salonwagen en tuinhuisjes als gebouwen moeten worden aangemerkt waarvoor een bouwvergunning vereist is. Er is geen concreet zicht op legalisatie, aangezien voor de salonwagen geen bouwvergunningaanvraag is ingediend en het college niet bereid is tot legalisatie van de tuinhuisjes. De Raad bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit tot bestuursdwang en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

200409164/1 en 200409164/2.
Datum uitspraak: 16 december 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 30 september 2004 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (hierna: het college) voorzover hier van belang bestuursdwang aangezegd terzake van een illegaal geplaatste salonwagen en tuinhuisjes.
Bij besluit van 18 juni 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 september 2004, verzonden op 8 oktober 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 10 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 19 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2004, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2004, waar [naam een der appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. H.P. Verheyen, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door N.J.M. Röling en M.M. Eersel, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Zowel de salonwagen, die ten tijde van de beslissing op bezwaar al bijna een jaar ter plaatse aanwezig was, als de tuinhuisjes/tuinkasten, ten aanzien waarvan ter zitting is gebleken dat in één ervan een toiletvoorziening aanwezig is, moeten, gelet op de afmetingen en de functie ter plaatse als gebouwen, waarvoor een bouwvergunning is vereist, worden aangemerkt. De rechtbank heeft met het college terecht geoordeeld, dat gebouwen als deze ingevolge de ter plaatse geldende bestemming "Agrarische doeleinden" niet zijn toegelaten. Van een concreet zicht op legalisatie is geen sprake. Voor de salonwagen is geen verzoek om bouwvergunning ingediend. Voor de tuinkasten wel. Het college is niet tot legalisatie bereid. Het enkele feit dat na verlening van een vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening juncto artikel 20 van Pro het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 legalisatie mogelijk zou kunnen zijn, betekent overigens ook nog niet dat van een concreet zicht op legalisatie kan worden gesproken.
2.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de voorzieningenrechter komt voor bevestiging in aanmerking.
2.3.    Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Schortinghuis
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2004
66.