Uitspraak
200203938/1(AB 2003, 212), vooralsnog van oordeel dat verweerder in dit geval bevoegd was te beslissen op onderhavige aanvraag.
Raad van State
Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant een vergunning verleend aan een vergunninghoudster voor het veranderen van een inrichting voor het houden en behandelen van dieren en het opslaan van afvalstoffen. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De Voorzitter heeft het verzoek behandeld op 30 november 2004, waarbij partijen zijn gehoord. Verzoeker betoogde onder meer dat het besluit onrechtmatig was genomen door een ambtenaar in plaats van door de gedeputeerde en dat de onderliggende vergunning was vervallen omdat de inrichting niet binnen drie jaar was voltooid.
De Voorzitter overwoog dat het mandaatreglement de bevoegdheid tot ondertekening aan het bureauhoofd gaf en dat de bevoegdheid tot beslissen bij de gedeputeerde lag. Ook was op grond van eerdere jurisprudentie en de situatie ten tijde van het besluit de gedeputeerde bevoegd om te beslissen. Verder zag de Voorzitter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot de milieueffectrapportage en natuurbeschermingswetgeving. Het verzoek werd afgewezen en de behandeling van de hoofdzaak bespoedigd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het wijzigingsbesluit milieubeheer vergunning is afgewezen.