ECLI:NL:RVS:2004:AR7601
Raad van State
- Hoger beroep
- R.R. Winter
- H.G. Lubberdink
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding onverwijlde inbezitneming en winstderving na dijkverzwaring
Appellante exploiteert een recreatiebedrijf nabij een dijk die in 1996 is verzwaard en verhoogd. Zij vordert schadevergoeding voor geleden schade door deze werkzaamheden. Het college van dijkgraaf en heemraden wees het verzoek op grond van artikel 5 Dgr Pro af, maar kende vergoeding toe op grond van artikel 7 Dgr Pro.
De rechtbank oordeelde dat onverwijlde inbezitneming niet aannemelijk was en dat de schadevergoeding op grond van artikel 7 Dgr Pro terecht was toegekend, inclusief kosten van rechtsbijstand. Appellante stelde dat zij ook recht had op vergoeding van winstderving en kosten van planologische procedures, maar deze stellingen werden verworpen omdat de rechtbank aannemelijk achtte dat de omzetdaling werd gecompenseerd door andere activiteiten en dat de kosten niet redelijk waren.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De Afdeling komt niet toe aan beoordeling van het verzoek op grond van artikel 8:73 Awb Pro vanwege de ongegrondverklaring van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.