Uitspraak
200305082/1.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Boekel legde appellant een last onder dwangsom op om een uitbreiding van een bedrijfsruimte te verwijderen, omdat deze zonder geldige bouwvergunning was gerealiseerd en in strijd was met het bestemmingsplan 'Bedrijven 1e herziening'. Appellant had de bedrijfsruimte als zelfstandig administratiekantoor verhuurd, wat niet is toegestaan binnen de bestemming 'Kleine bedrijven II'.
De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het college terecht handhavend heeft opgetreden, aangezien het bouwen zonder vergunning en in strijd met het bestemmingsplan is verboden. Er waren geen bijzondere omstandigheden die handhaving zouden rechtvaardigen achterwege te laten.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de voorzieningenrechter dat het college niet verplicht was te wachten met handhaving tot de intrekking van de bouwvergunning onherroepelijk was geworden. Ook was de opgelegde begunstigingstermijn niet onredelijk. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit bevestigd.