Uitspraak
200104983/1, voorzover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en het besluit van 24 juli 2001 vernietigd.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen verleende op 12 februari 2001 een bouwvergunning aan een vergunninghouder voor het veranderen van een garage/berging tot een garage/berging/carport op een perceel te Tubbergen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college en later door de rechtbank Almelo ongegrond werd verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit van het college uit 2001. Vervolgens herzag het college het besluit en verleende opnieuw de bouwvergunning met vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).
Appellant voerde aan dat het college niet conform eerdere uitspraken had gehandeld, dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat artikel 20 van Pro het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) van toepassing was op het bouwplan en dat het college in strijd met het eigen beleid had besloten. Ook stelde appellant dat de bouwstrokenmethode onjuist was toegepast, dat de openheid niet werd gewaarborgd, dat de afvoer- en ontstoppingsput niet meer bereikbaar was en dat er sprake was van een onaanvaardbare vermindering van lichtinval.
De Raad van State oordeelde dat het college terecht de aanvraag als een verzoek om vrijstelling had aangemerkt en dat het bouwplan als een nieuw bijgebouw moest worden gezien. Het college had voldoende gemotiveerd dat het bouwplan binnen het eigen beleidskader paste, ook zonder toepassing van de bouwstrokenmethode. De bezwaren over bereikbaarheid en lichtinval werden verworpen omdat niet aannemelijk was dat het bouwwerk een wezenlijke vermindering van lichtinval veroorzaakte en de rechtbank had terecht geoordeeld dat het onderhoud van het strookje grond mogelijk bleef.
De Raad van State concludeerde dat het college bij de belangenafweging redelijk had gehandeld en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Almelo. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond, waardoor de bouwvergunning met vrijstelling in stand blijft.