ECLI:NL:RVS:2004:AR7564

Raad van State

Datum uitspraak
15 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200402495/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • H.Ph.J.A.M. Hennekens
  • Ch.W. Mouton
  • M.W.L. Simons-Vinckx
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 Wet milieubeheerArt. 8.24 Wet milieubeheer
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep inzake intrekking milieuregels vergunning Twentse Recycling

Twentse Recycling B.V. heeft bij het college van gedeputeerde staten van Overijssel verzocht om intrekking van voorschrift C.1 en gerelateerde voorschriften uit een vergunning verleend in april 2000 voor haar inrichting aan de Onyxstraat 20 te Hengelo. Dit verzoek werd bij besluit van 27 januari 2004 afgewezen. Tegen dit besluit stelde Twentse Recycling beroep in bij de Raad van State.

In de procedure werd vastgesteld dat op 22 juli 2004 een revisievergunning werd verleend die de vergunning uit 2000 verving en onherroepelijk is geworden. Hierdoor zijn de eerdere vergunning en de daaraan verbonden voorschriften komen te vervallen. De Afdeling oordeelde dat hierdoor het beroep van appellante feitelijk geen procesbelang meer heeft, aangezien het verzoek betrekking had op voorschriften die niet langer van kracht zijn.

De Afdeling verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat een uitspraak op een beroep niet kan worden verkregen louter om de principiële betekenis van het punt. Daarom verklaarde de Afdeling het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van Twentse Recycling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

200402495/1.
Datum uitspraak: 15 december 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Twentse Recycling Maatschappij B.V.", gevestigd te Hengelo,
appellante,
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2004, kenmerk EMT/2004/396, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellante van 22 september 2003 om met toepassing van artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer voorschrift C.1 en de daarmee verband houdende voorschriften, verbonden aan de vergunning die bij besluit van -naar de Afdeling begrijpt:- 12 april 2000 is verleend ten behoeve van de inrichting aan de Onyxstraat 20 te Hengelo, in te trekken.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 april 2004.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 september 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], is verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Bij besluit van 12 april 2000 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer ten behoeve van de inrichting van appellante een vergunning verleend voor onder meer de opslag en verwerking van bouw- en sloopafval.     Bij besluit van 22 juli 2004 is ten behoeve van de inrichting een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.
2.1.1.    Ingevolge artikel 8.4, vierde lid, van de Wet milieubeheer vervangt een met toepassing van dit artikel verleende vergunning met ingang van het tijdstip waarop zij in werking treedt, de eerder voor de inrichting of met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onderdelen daarvan verleende vergunningen. Deze vergunningen vervallen op het tijdstip waarop de met toepassing van dit artikel verleende vergunning onherroepelijk wordt.
2.1.2.    De bij het besluit van 22 juli 2004 verleende vergunning is onherroepelijk geworden. Dit heeft tot gevolg dat de bij besluit van 12 april 2000 verleende vergunning en de daaraan verbonden voorschriften zijn komen te vervallen.
Niet valt in te zien dat appellante enig rechtens te beschermen belang heeft bij een uitspraak op haar beroep tegen de afwijzing van verweerder om de voorschriften van de inmiddels vervallen vergunning uit 2000 in te trekken. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat zij ondanks het bovenstaande toch waarde hecht aan een uitspraak van de bestuursrechter, is de Afdeling van oordeel, zoals zij onder meer heeft overwogen in haar uitspraak van 10 februari 1997, in zaak nr. H01.96.0677 (AB 1997, 387), dat van haar geen uitspraak kan worden verkregen uitsluitend vanwege de principiële betekenis van het aan haar voorgelegde punt.
2.2.    Het beroep dient vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2.3.    Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.
w.g. Hennekens    w.g. van der Zijpp
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2004
262-441.