Uitspraak
200308153/1, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt stelt dat binnen afzienbare termijn vergunningverlening mogelijk is.
Raad van State
Bij besluit van 31 augustus 2004 besloot verweerder het zonder vergunning krachtens artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren het lozen van afvalstoffen vanuit het schietterrein Marnewaard in de Waddenzee te gedogen. De Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening.
Verzoekster stelde dat het gedogen onrechtmatig was omdat geen concreet uitzicht op legalisatie bestond, onvoldoende inzicht was in de aard en omvang van de emissies, en dat het besluit in strijd was met Europese richtlijnen inzake natuurbescherming en verontreiniging. Verweerder voerde aan dat een vergunningaanvraag was ingediend met voldoende gegevens en dat de lozing niet significant schadelijk was.
De Voorzitter oordeelde dat verweerder in redelijkheid de overtreding mocht gedogen omdat concreet uitzicht op vergunningverlening bestond en handhavend optreden niet proportioneel was. Geluidbelasting behoorde niet in de vergunningprocedure te worden betrokken en het gedoogbesluit omzeilde de vergunningprocedure niet.
Daarom wees de Voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het gedogen van lozingen zonder vergunning wordt afgewezen.