ECLI:NL:RVS:2004:AR7129

Raad van State

Datum uitspraak
8 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200403585/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • R.J. Hoekstra
  • J.W. Prins
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WroArt. 10:27 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Goedkeuring uitwerkingsplan Look-west fase 2 niet in strijd met goede ruimtelijke ordening

Het college van burgemeester en wethouders van Schipluiden (thans Midden-Delfland) stelde op 16 december 2003 het uitwerkingsplan 'Bestemmingsplan Look-west, Uitwerking 2e fase' vast, dat voorziet in de bouw van 76 woningen in de Harnaschpolder nabij Den Hoorn. Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland keurde dit uitwerkingsplan goed op 9 maart 2004. Appellant, wonende nabij het plangebied, stelde beroep in tegen deze goedkeuring vanwege de geringe afstand tussen zijn woning en het bouwvlak voor een naastgelegen woning, waardoor hij nadelige gevolgen verwacht.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het uitwerkingsplan voldoet aan de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan en dat de afstand tussen de woningen, circa vijf tot tien meter, gelet op het verstedelijkte karakter van de omgeving, redelijk is. Het bezwaar dat in de kennisgeving niet was vermeld dat het plan was gewijzigd, werd als een onregelmatigheid na het besluit beoordeeld en kon de rechtmatigheid niet aantasten.

De Raad van State concludeerde dat het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat het besluit niet onrechtmatig is voorbereid of genomen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de goedkeuring van het uitwerkingsplan Look-west fase 2 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

200403585/1.
Datum uitspraak: 8 december 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schipluiden (thans Midden-Delfland) het uitwerkingsplan "Bestemmingsplan Look-west, Uitwerking 2e fase" vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 9 maart 2004, kenmerk DRM/ARB/03/18172A, over de goedkeuring van het uitwerkingsplan beslist.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 28 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2004, beroep ingesteld.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2004, waar  verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.J.V.M. Severijns, is verschenen.
Voorts is het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, vertegenwoordigd door M.W. Tsang en T.W.P. van den Berg, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord. Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van Pro de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.
2.2.    Het geschil betreft een uitwerking van het bestemmingsplan "Look-West" (hierna: het bestemmingsplan). Het uitwerkingsplan voorziet in de bouw van 76 woningen aan de noord-oostzijde van het plangebied "Look-west" dat ligt ten westen van de kern Den Hoorn in de Harnaschpolder.
2.3.    Appellant heeft als formeel bezwaar aangevoerd dat in de kennisgeving inzake de terinzageligging van het bestreden besluit niet is vermeld dat het uitwerkingsplan ten opzichte van het ontwerp gewijzigd is vastgesteld.
Dit bezwaar heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.
2.4.    Appellant woont aan de [locatie] en stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het bouwvlak dat in het uitwerkingsplan is opgenomen voor de te bouwen woning op het naastgelegen perceel [locatie]. Hij acht de afstand tussen zijn woning en dit bouwvlak, met name ter plaatse van de aanbouwmogelijkheid, te gering en verwacht daarvan nadelige gevolgen te zullen ondervinden. Volgens appellant is met zijn belangen onvoldoende rekening gehouden.
2.5.    Verweerder heeft het uitwerkingsplan goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat aan de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan is voldaan. Voorts stemt hij in met de weerlegging door het college van burgemeester en wethouders van de naar voren gebrachte zienswijzen.
2.6.    Het uitwerkingsplan is gebaseerd op artikel 3.1 ("Woongebied–uit te werken") van de voorschriften van het bestemmingsplan.
Niet gesteld, noch gebleken is dat het plan, voorzover in geding, niet voldoet aan de in het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregels.
Voorts stelt de Afdeling vast dat de kortste afstand tussen de woning van appellant en het bouwvlak voor de op het perceel [locatie] voorziene woning ter plaatse van de aanbouw ongeveer vijf meter en ter plaatse van het hoofdgebouw ongeveer tien meter bedraagt. Gelet hierop, daarbij mede in aanmerking genomen het verstedelijkte karakter van de omgeving, heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid met de ligging van dit bouwvlak kunnen instemmen.
2.7.    Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitwerkingsplan in zoverre, hoewel de invulling past binnen de regels van het bestemmingsplan, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan.
2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.
w.g. Hoekstra    w.g. Prins
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2004
363.