ECLI:NL:RVS:2004:AR6745

Raad van State

Datum uitspraak
1 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200404383/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Beekhuis
  • P.A. de Vink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:32 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk verklaard tegen last onder dwangsom milieuvoorschriften

Bij besluit van 24 juli 2003 legde het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan appellant een last onder dwangsom op wegens overtreding van voorschrift 1.1.1 van bijlage B bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. De dwangsom bedroeg € 3.500 per overtreding met een maximum van € 10.500. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 24 februari 2004 werd afgewezen.

Appellant stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank Den Haag, waarna de zaak werd doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De zaak werd behandeld op 29 oktober 2004. De Afdeling overwoog dat de last onder dwangsom inmiddels was vervallen omdat de in het besluit gestelde termijn van 15 maanden was verstreken zonder dat een dwangsom was verbeurd.

Daarom oordeelde de Afdeling dat appellant geen belang meer had bij de beoordeling van het beroep en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 1 december 2004 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom is niet-ontvankelijk verklaard wegens het verstrijken van de termijn zonder verbeurde dwangsom.

Uitspraak

200404383/1.
Datum uitspraak: 1 december 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2003 heeft verweerder aan [vergunninghouder] dan wel appellant en [partij] een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 3.500,00 per geconstateerde overtreding van voorschrift 1.1.1 van bijlage B bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit). Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 10.500,00.
Bij besluit van 24 februari 2004, verzonden op 1 maart 2004, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 april 2004, bij de rechtbank te Den Haag ingekomen op 13 april 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 april 2004. Het beroepschrift is met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar de Afdeling.
Bij brief van 16 augustus 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. D. Karatay, ing. H.C.G.M. Bastiaansen en R. Boender, ambtenaren van de gemeente,is verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Hetgeen appellant met zijn beroep kennelijk nastreeft, is bereikt, aangezien de bij besluit van 24 juli 2003 opgelegde last onder dwangsom is vervallen in verband met het verstrijken van de in dit besluit gestelde termijn van 15 maanden dat geen dwangsom is verbeurd. Voor een oordeel dat appellant niettemin nog belang heeft bij de beoordeling van het beroep, bestaat geen grond.
2.2.    Het beroep is niet-ontvankelijk.
2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis    w.g. De Vink
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2004
154-399.