ECLI:NL:RVS:2004:AR6279
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- W. van den Brink
- M.Z.C. Koutstaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking standplaatsvergunning wegens langdurige ziekte
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht heeft op 22 januari 2004 de standplaatsvergunning van appellant ingetrokken omdat deze gedurende twee jaar vanwege ziekte nagenoeg geen persoonlijk gebruik van de standplaats had gemaakt. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit, maar zowel het college als de voorzieningenrechter verklaarden deze ongegrond.
Appellant voerde aan dat de periode van twee jaar anders moest worden geïnterpreteerd en dat ziekteperioden met verschillende oorzaken niet bij elkaar mochten worden opgeteld. Deze stellingen werden verworpen omdat de Marktverordening Utrecht 1997 geen aanknopingspunten bood voor een andere uitleg. Tevens werd het argument dat artikel 12, vierde lid, van de verordening onverbindend zou zijn, niet in behandeling genomen omdat dit niet aan de orde was in deze procedure.
De Raad van State oordeelde dat nader onderzoek niet nodig was en dat onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak kon worden gedaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de intrekking van de standplaatsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.