ECLI:NL:RVS:2004:AR5863

Raad van State

Datum uitspraak
17 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200403680/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Flora- en faunawetArt. 68, eerste lid, aanhef en onder a, Flora- en faunawetArt. 72, vijfde lid, Flora- en faunawet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontheffing doden reeën ter bevordering verkeersveiligheid in Overijssel

Het college van gedeputeerde staten van Overijssel verleende op 2 februari 2004 ontheffing aan de Wildbeheereenheid Tussen Vecht en Dedemsvaart voor het doden van reeën met het geweer tot en met 31 december 2004, vanwege het belang van de openbare veiligheid, met name verkeersveiligheid.

De Stichting de Faunabescherming maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle verklaarde het beroep van de stichting eveneens ongegrond. Hiertegen stelde de stichting hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het belang van de openbare veiligheid, waaronder verkeersveiligheid, voldoende aannemelijk was. Het college had terecht geoordeeld dat geen andere bevredigende oplossingen beschikbaar waren en dat het afschieten van reeën noodzakelijk was om de populatie onder het draagkrachtniveau te houden en migratie te beperken.

De Afdeling verwierp de argumenten van de stichting dat het rijgedrag van automobilisten de oorzaak was van onveilige situaties en dat het afschieten niet effectief zou zijn. De situatie in Amsterdamse Waterleidingduinen werd als niet vergelijkbaar beschouwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van Stichting de Faunabescherming wordt ongegrond verklaard en het besluit tot ontheffing voor het doden van reeën wordt bevestigd.

Uitspraak

200403680/1.
Datum uitspraak: 17 november 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de stichting 'Stichting de Faunabescherming', gevestigd te Amstelveen,
appellante,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle, verzonden op 26 april 2004, in het geding tussen:
appellante
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college) met toepassing van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a, van de Flora- en faunawet aan de Wildbeheereenheid Tussen Vecht en Dedemsvaart (hierna: de wildbeheereenheid) voor de periode tot en met 31 december 2004 ontheffing verleend voor het doden van reeën met behulp van het geweer op gronden gelegen in nader aangegeven gemeenten, behorende tot het werkgebied van de wildbeheereenheid, in het belang van de openbare veiligheid (verkeersveiligheid).
Bij besluit van 15 maart 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak, verzonden op 26 april 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 16 juni 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door [secretaris] van de stichting, en [werknemer], werkzaam bij de stichting, het college, vertegenwoordigd door mr. I. Weis en R. de Hoeve, beiden werkzaam bij de provincie, en de wildbeheereenheid, vertegenwoordigd door mr. H.A.M. Lamers, gemachtigde, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Ingevolge artikel 9 van Pro de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.
Ingevolge artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ffw, voorzover hier van belang, kunnen gedeputeerde staten in het belang van de openbare veiligheid, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 18 en 72, vijfde lid.
2.2.    De voorzieningenrechter heeft met juistheid geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat in het onderhavige geval het belang van de openbare veiligheid in geding is. In dit verband heeft de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden overwogen dat onder het begrip 'openbare veiligheid' als bedoeld in artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ffw mede de verkeersveiligheid kan worden verstaan. Nu vaststaat dat op de openbare wegen botsingen tussen reeën en auto's hebben plaatsgevonden, met aanzienlijke schade tot gevolg, en nu uit de stukken aannemelijk wordt dat een te hoge populatiedruk tot meer migratiebewegingen kan leiden, is het belang van de openbare veiligheid in geding.
Het betoog van appellante dat voornoemd belang in het onderhavige geval niet in geding is omdat verkeersonveilige situaties niet ontstaan door overstekende reeën maar door het rijgedrag van de automobilisten, doordat zij te hard rijden en te weinig afstand houden, leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat gelet op het vluchtgedrag van reeën weinig aannemelijk is dat aanrijdingen vrijwel altijd kunnen worden voorkomen indien weggebruikers hun snelheid beperken, alsmede dat het feit dat de aanrijdingen in de periode 2001-2003 slechts tot materiële schade hebben geleid, aan zijn oordeel niet afdoet.
2.3.    Tevens heeft de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldaan is aan de voorwaarde dat er geen alternatieven zijn om een andere bevredigende oplossing te verkrijgen. Het betoog van appellante dat hiertegen is gericht faalt derhalve.
2.4.    In het betoog van appellante dat het afschieten van een bepaald aantal reeën niet een effectief middel is om het risico op aanrijdingen te beperken, ziet de Afdeling geen grond voor de conclusie dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zonder afschot de reeënpopulatie aanzienlijk zal toenemen en dat zodra de reeënpopulatie boven draagkrachtniveau is door voedselgebrek meer migratie van reeën zal plaatsvinden.
De omstandigheid dat bij het staken van de jacht op damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen geen sprake was van een stijging van die populatie, maar van stabilisatie, leidt niet tot een ander oordeel. In die situatie ging het om een geheel ander gebied met andere voedselbronnen, predatoren en diersoorten, zodat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat beide situaties niet vergelijkbaar zijn.
Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter op goede gronden tot de juiste slotsom gekomen dat onder de gegeven omstandigheden en in het licht van het opgestelde reewildbeheerplan van de wildbeheereenheid niet kan worden gezegd dat het college in het kader van de belangenafweging niet in redelijkheid tot het onderhavige besluit heeft kunnen komen.
2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak    w.g. Zwemstra
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2004
91-426.