ECLI:NL:RVS:2004:AR5835
Raad van State
- Hoger beroep
- B.J. van Ettekoven
- W.D.M. van Diepenbeek
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gebruiksvergunning verblijfsinrichting in Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 17 oktober 2002 een gebruiksvergunning voor het gebruik van een verblijfsinrichting op een perceel in Den Haag. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college en vervolgens door de voorzieningenrechter werd afgewezen.
In hoger beroep bij de Raad van State werd onderzocht of de gebruiksvergunning terecht was verleend. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de bouwverordening geen grond biedt om de vergunning in te trekken of te weigeren wegens veranderde omstandigheden na het verlenen van de bouwvergunning of bestemming.
De Raad stelde vast dat geen van de in artikel 6.1.5 van de bouwverordening genoemde weigeringsgronden zich voordeed. De bouwvergunning voor het pand was verleend en niet ingetrokken, er was geen ontheffing op grond van de leefmilieuverordening vereist, en de vergunning tot woonruimte-onttrekking was verleend. De bezwaren van appellant tegen uitbreiding naar een ander pand konden niet worden meegenomen omdat de vergunning daarop geen betrekking had.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de gebruiksvergunning bevestigd.