ECLI:NL:RVS:2004:AR5433

Raad van State

Datum uitspraak
3 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200407685/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning en ontheffingen gemeente Leeuwarden

Het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden verleende op 19 november 2003 aan een vergunninghoudster een ontheffing van de bouwverordening en een reguliere bouwvergunning voor de bouw van een appartementengebouw met parkeerkelder. Na bezwaar verklaarde het college op 18 mei 2004 het bezwaar ongegrond en handhaafde de vergunning met enkele wijzigingen.

Verzoekers stelden beroep in tegen deze besluiten, maar de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep op 26 augustus 2004 ongegrond. Vervolgens verzochten verzoekers de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen.

Na behandeling van het verzoek op 28 oktober 2004, waarbij partijen werden gehoord, oordeelde de Voorzitter dat er geen reden was om aan te nemen dat de aangevallen uitspraak niet in stand zou blijven. Er was dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening of een proceskostenveroordeling. Het verzoek werd derhalve afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning en ontheffingen wordt afgewezen.

Uitspraak

200407685/2.
Datum uitspraak: 3 november 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 26 augustus 2004 in het geding tussen:
verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (hierna: het college) aan [vergunninhoudster] een ontheffing van de bouwverordening van de gemeente Leeuwarden (hierna: de bouwverordening) en een reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor de oprichting van een appartementengebouw met parkeerkelder op het perceel [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 18 mei 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar - onder verlening van twee nadere ontheffingen van de bouwverordening en wijziging van de grondslag van de eerder verleende ontheffing - ongegrond verklaard en de bouwvergunning met inachtneming van een wijziging van het bouwplan gehandhaafd.
Bij uitspraak van 26 augustus 2004, verzonden op 30 augustus 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door verzoekers ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 13 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2004, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 7 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 oktober 2004, waar [gemachtigde] in persoon en het college, vertegenwoordigd door M. Weber en G. Keuning, beide ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], daar gehoord.
2.    Overwegingen
2.1.    In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de ontheffingen en bouwvergunning niet mochten worden verleend.
2.2.    Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk    w.g. Boer
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2004
201.