ECLI:NL:RVS:2004:AR5430

Raad van State

Datum uitspraak
3 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200407065/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Beekhuis
  • P. Plambeck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 Wet milieubeheerArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen revisievergunning paardenhouderij

Bij besluit van 13 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reeuwijk een revisievergunning verleend aan een vergunninghouder voor een paardenhouderij annex paardenfokkerij op een perceel te Reeuwijk. Verzoekers, wonend nabij deze locatie, hebben beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De Voorzitter behandelde het verzoek op 14 oktober 2004, waarbij partijen zijn gehoord. Verzoekers vreesden stankhinder door opslag van vaste mest binnen 50 meter van hun woning, wat volgens voorschrift 4.12 niet is toegestaan. Uit de stukken bleek echter dat de mestplaat op ten minste 50 meter afstand zal worden gerealiseerd.

Daarnaast werden geluidsoverlast en overlast van vliegen en ongedierte aangevoerd, maar de Voorzitter zag, mede gelet op de vergunningvoorschriften, geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is daarom afgewezen en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de revisievergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

200407065/2.
Datum uitspraak: 3 november 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Reeuwijk,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een paardenhouderij annex paardenfokkerij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Reeuwijk, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 15 juli 2004 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 23 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2004, beroep ingesteld.
Bij brief van 23 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 oktober 2004, waar verzoekers, waarvan [naam een der verzoekers] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door E.S. ten Cate, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is daar gehoord als partij vergunninghouder.
2.    Overwegingen
2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2.    Verzoekers vrezen voor (enkelvoudige) stankhinder als gevolg van de opslag van vaste mest op minder dan 50 meter afstand van hun woning.
2.2.1.    Ingevolge voorschrift 4.12 moet vaste mest ten minste op een afstand van 50 meter van de woningen van derden worden opgeslagen.
Uit de van het bestreden besluit deel uitmakende tekening blijkt dat het grootste gedeelte van de mestplaat is gelegen binnen 50 meter van de gevel van een woning van een derde. Uit het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat deze nog te realiseren mestplaat op ten minste 50 meter van de gevel van de woning van deze derde zal worden gerealiseerd. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.3.    In hetgeen verzoekers voor het overige hebben aangevoerd over geluid en de als gevolg van de opslag van mest te vrezen overlast van vliegen en ander ongedierte, ziet de Voorzitter, mede gelet op de aan deze vergunning verbonden voorschriften, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.4.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis    w.g. Plambeck
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2004
159-396.