ECLI:NL:RVS:2004:AR5074
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- C.H.M. van Altena
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing kampeervergunning en voorschriften permanente bewoning
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht verleende een kampeervergunning voor een camping aan een vergunninghouder voor de periode van 1997 tot 2002. Na diverse bezwaar- en beroepsprocedures werd het besluit van het college over de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften meerdere malen vernietigd door de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de onduidelijkheid van de voorschriften inzake permanente bewoning en illegaal geplaatste recreatieverblijven. De Afdeling oordeelde dat de voorschriften onvoldoende concreet en duidelijk waren geformuleerd, waardoor de vergunninghouder niet exact wist welke rechten en plichten uit de vergunning voortvloeiden. Ook was onduidelijk welke recreatieverblijven bouwvergunningplichtig waren en welke niet.
Daarnaast was de overgangstermijn voor het verbod op permanente bewoning gekoppeld aan een nog niet openbaar gemaakt gemeentelijk plan van aanpak, waardoor de termijn onzeker was. De Afdeling benadrukte dat het college geen voorschrift kan opnemen dat de beoordeling van bouwvergunningplicht en handhaving aan de exploitant overlaat.
De Afdeling bevestigde daarom de vernietiging van het besluit van 22 februari 2003 en verklaarde het hoger beroep van het college ongegrond. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de wederpartijen.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en het besluit van 22 februari 2003 vernietigd.