ECLI:NL:RVS:2004:AR5044

Raad van State

Datum uitspraak
3 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200308354/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing handhaving tegen gedeeltelijke demping watergang door Hoogheemraadschap

Het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Krimpenerwaard wees het verzoek van appellant af om bestuursdwang toe te passen tegen gedeeltelijke demping van een watergang tussen twee percelen. Appellant stelde dat de sloot was gedempt en dat het college onzorgvuldig had onderzocht of dit het geval was.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het onderzoek van het college had uitgewezen dat de sloot, op een klein gedeelte na waar deze doodloopt, de toegestane breedte van 1,40 meter niet overschreed. De door appellant overgelegde foto’s zagen niet op het relevante gedeelte en konden het standpunt van het college niet weerleggen.

De Raad van State bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het college onzorgvuldig had gehandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200308354/1.
Datum uitspraak: 3 november 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 november 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Krimpenerwaard.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 9 oktober 2002 heeft het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Krimpenerwaard (hierna: het college) het verzoek van appellant om [belanghebbende] onder aanzegging van bestuursdwang aan te schrijven de gedeeltelijke demping van de watergang tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats] (hierna: de sloot) ongedaan te maken, afgewezen.
Bij besluit van 21 januari 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 november 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 10 februari 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Leenders, ambtenaar van het Hoogheemraadschap Krimpenerwaard, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [belanghebbende] de Keur niet heeft overtreden en dat het college derhalve niet bevoegd was handhavend op te treden. Appellant acht het onderzoek van het college waaruit het de conclusie heeft getrokken dat [belanghebbende] de sloot niet gedeeltelijk heeft gedempt, onzorgvuldig.
2.1.1.    Dit betoog slaagt niet. Appellant heeft het standpunt van het college niet weerlegd, dat na onderzoek van een ambtenaar van het hoogheemraadschap is gebleken dat de desbetreffende sloot, met uitzondering van een klein gedeelte waar de sloot doodloopt, de toegestane breedte van 1,40 meter heeft. De door appellant overgelegde foto’s kunnen niet als weerlegging dienen, nu deze niet zien op het gedeelte van de sloot waar het geding betrekking op heeft. Dat, naar appellant stelt, de toezichthoudende ambtenaar de sloot slechts door de kieren van de schutting zou hebben bekeken, zodat geen sprake is van een zorgvuldige waarneming, is door het college weersproken. Appellant heeft dit verder niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank is dan ook op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden tegen [belanghebbende].
2.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump    w.g. Haan
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2004
27-362.