ECLI:NL:RVS:2004:AR4965
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning ondanks beroep op artikel 8 EVRM
Appellante verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de Staatssecretaris van Justitie werd afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank, stelde appellante hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep voerde appellante aan dat de afwijzing in strijd was met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat het recht op respect voor het gezinsleven beschermt. De rechtbank had dit betoog buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde, omdat het pas ter zitting was ingebracht.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het buiten beschouwing laten onterecht was, maar zag geen grond om het besluit van de staatssecretaris te vernietigen. De staatssecretaris had terecht geoordeeld dat er geen inmenging was in het gezinsleven binnen Nederland, omdat appellante geen verblijfsrecht had dat haar verblijf hier mogelijk maakte en er geen bijzondere omstandigheden waren die verblijf in Nederland verplicht maakten.
Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.