Uitspraak
200204918/1niet op, nu die zaak betrekking had op een dwangsombesluit vanwege overtreding van een vergunning die was verleend vóór het in werking treden van de NRB.
Raad van State
Verzoekster kreeg bij besluit van 30 maart 2004 een last onder dwangsom opgelegd door verweerder vanwege het niet tijdig inspecteren en rapporteren van vloeistofdichte voorzieningen volgens de CUR/PBV-aanbeveling 44, verbonden aan haar revisievergunning voor een afvalverwerkende inrichting.
Verzoekster betoogde dat geen vloeistofdichte vloer vereist was en dat zij een wijzigingsaanvraag had ingediend, waardoor het opleggen van de last onder dwangsom onredelijk was. De Voorzitter oordeelde dat de vergunningvoorschriften onherroepelijk zijn en nageleefd moeten worden.
Hoewel een deel van de sorteerhal inmiddels vloeistofdicht is gemaakt en voorzien van een PBV-verklaring, was dat voor het overige gedeelte niet het geval. Verweerder had de begunstigingstermijn verlengd en geen inning van de dwangsommen bevolen tot 1 november 2004.
De Voorzitter concludeerde dat geen spoedeisend belang bestond voor een voorlopige voorziening en dat verweerder voldoende rekening had gehouden met de belangen van verzoekster. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen.