ECLI:NL:RVS:2004:AR4265

Raad van State

Datum uitspraak
12 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200406840/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
  • P.A. Melse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:32 AwbArt. 8:81 AwbWet milieubeheerLozingenbesluit bodembescherming
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom milieu zonder vergunning

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een last onder dwangsom die door het college van burgemeester en wethouders van Boxtel is opgelegd wegens het zonder vergunning in werking hebben van een glastuinbouwbedrijf van meer dan 2500 m2 en het lozen van afvalwater in de bodem via een wasmachine voor kratjes.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster stelde dat de last onder dwangsom slechts ziet op het stopzetten van de lozingen door de kistenwasmachine zonder lozingenvergunning en niet op het zonder vergunning in werking hebben van de machine zelf.

De Voorzitter oordeelde dat de formulering van de last onder dwangsom helder is en dat zowel verweerder als verzoekster dezelfde uitleg hanteren. Omdat verzoekster geen procesbelang meer heeft bij beoordeling van de rechtmatigheid van de beschikking, werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 12 oktober 2004.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom wordt afgewezen.

Uitspraak

200406840/1.
Datum uitspraak: 12 oktober 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Boxtel,
verweerder.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 29 juni 2004, verzonden 2 juli 2004, kenmerk […], heeft verweerder, aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd vanwege het zonder Wet milieubeheer vergunning in werking hebben van een glastuinbouwbedrijf met een oppervlakte van meer dan 2500 m2 en vanwege het in werking hebben van een wasmachine voor kratjes waarbij het afvalwater in de bodem wordt geloosd in haar inrichting op het adres [locatie] te Boxtel.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 12 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 september 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. D. van Hijkoop, advocaat te Doetinchem, en verweerder, vertegenwoordigd door F. Kabbouti, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Het verzoek beperkt zich tot het in werking hebben van een wasmachine voor kratjes waarbij het afvalwater in de bodem wordt geloosd.
2.2.    Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit onduidelijk is. Zij stelt zich hierbij op het standpunt dat de inhoud van de last onder dwangsom slechts ziet op het stopzetten van lozingen door de kistenwasmachine in de grond zonder daarbij te beschikken over een lozingenvergunning ingevolge het Lozingenbesluit bodembescherming en niet op het zonder Wet milieubeheer vergunning in werking hebben van deze machine. Zij voert aan in zoverre vrijwillig gevolg te willen geven aan de last onder dwangsom en geen lozingen op de bodem meer te zullen uitvoeren.
2.2.1.    Verweerder voert aan dat verzoekster het onderhavige onderdeel van de last onder dwangsom op de juiste wijze interpreteert.
2.2.2.    De Voorzitter overweegt dat de formulering van het dictum van de last onder dwangsom helder is. Evenmin blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat verweerder een andere uitleg aan de inhoud van de last onder dwangsom geeft dan verzoekster. Dat in de considerans van het bestreden besluit ook gerept wordt over het zonder Wet milieubeheer vergunning in werking zijn van de inrichting doet hieraan niet af. Temeer nu daarbij vooral naar een hier niet ter discussie staand onderdeel van het bestreden besluit wordt verwezen.
Gelet hierop en nu noch ter zitting, noch anderszins is gebleken van feiten of omstandigheden die op het tegendeel wijzen, is de Voorzitter van oordeel dat verzoekster geen processueel belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de onderhavige beschikking. Het verzoek moet derhalve reeds om deze reden worden afgewezen.
2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Melse
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2004
315.