ECLI:NL:RVS:2004:AR3814

Raad van State

Datum uitspraak
13 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200400464/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WRO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging bouwvergunning uitbreiding cultureel centrum in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Maasbracht verleende op 21 juni 2001 een bouwvergunning aan het Katholiek Sociaal Cultureel Centrum voor Rijn- en Binnenvaart voor uitbreiding van een cultureel centrum op het perceel Hoofdstraat 34 te Maasbracht. Deze vergunning was in strijd met het bestemmingsplan, dat het perceel bestemde als 'Achtertuin' waar geen bebouwing is toegestaan.

Het college verleende daarop vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), stellende dat de uitbreiding viel onder een door gedeputeerde staten aangewezen categorie van gevallen waarbij vrijstelling mogelijk is. De rechtbank Roermond oordeelde echter dat het bouwplan niet onder deze categorie viel en vernietigde het besluit tot vrijstelling.

Het college ging in hoger beroep bij de Raad van State, die het oordeel van de rechtbank bevestigde. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de categorieën waarin vrijstelling mogelijk is strikt moeten worden uitgelegd en dat de uitbreiding op een perceel met de bestemming 'Achtertuin' geen uitbreiding is van een toegestane bebouwing. Het beroep van het college werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 13 oktober 2004.

Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200400464/1.
Datum uitspraak: 13 oktober 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Maasbracht,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 december 2003 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [plaats]
en
appellant.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2001 heeft appellant (hierna: het college) aan het Katholiek Sociaal Cultureel Centrum voor Rijn- en Binnenvaart (hierna: het KSCC) bouwvergunning verleend voor het uitbreiden/verbouwen van een cultureel centrum op het perceel Hoofdstraat 34 te Maasbracht (hierna: het perceel).
Bij besluit van 13 november 2002 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar, onder het alsnog verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) voor het bouwplan, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 december 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 13 november 2002 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 16 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 februari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
[wederpartij] heeft gereageerd bij brieven van 15 maart 2004 en 31 maart 2004.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. Hermans, ambtenaar van de gemeente, en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. H. Schouwstra, gemachtigde, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Bij besluit van 31 augustus 2000 heeft de gemeenteraad van Maasbracht voor het perceel het bestemmingsplan “Kern Maasbracht – Hoofdstraat 34” vastgesteld. Bij uitspraak van 12 juni 2002, inzake no.
200102096/1, heeft de Afdeling het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: gedeputeerde staten) tot goedkeuring van dat plan vernietigd, voorzover dat ziet op het perceelsgedeelte waarop de hier aan de orde zijnde uitbreiding/vergroting is voorzien. Dat perceelsgedeelte heeft ingevolge het daar van kracht gebleven bestemmingsplan “Kern Maasbracht” de bestemming “Achtertuin”. Niet in geschil is dat het bouwplan daarmee in strijd is, omdat die bestemming een (uitbreiding van een) cultureel centrum niet toestaat.
2.2.    Ten einde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college voor het bouwplan vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Ingevolge dat artikel, voorzover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen.
2.3.    In de beslissing op bezwaar heeft het college zijn standpunt gehandhaafd dat het bouwplan valt onder de in paragraaf 2.3.1, onder A1, sub d, van door gedeputeerde staten vastgestelde “Beleidsnotitie wijziging Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO)” (hierna: de Beleidsnotitie) omschreven categorie van gevallen. In genoemd onderdeel van de Beleidsnotitie is bepaald dat artikel 19, tweede lid, van de WRO van toepassing is in geval van een uitbreiding van een gebouw met dien verstande dat de uitbreiding niet groter mag zijn dan 10% van de op basis van het bestemmingsplan qua oppervlakte dan wel qua inhoud maximaal toegestane omvang.
2.4.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bouwplan niet onder voormelde categorie valt omdat de uitbreiding is voorzien op gronden bestemd voor “Achtertuin” waarop geen bebouwing is toegestaan, en derhalve geen sprake kan zijn van een uitbreiding van de ingevolge het bestemmingsplan toegestane omvang van bebouwing. Het college betwist dat oordeel en betoogt dat het aanwezige cultureel centrum ingevolge het bestemmingsplan “Kern Maasbracht – Hoofdstraat 34” is toegestaan en het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de oppervlakte daarvan van minder dan 10%.
2.5.    De Afdeling volgt het college niet in zijn betoog. Gelet op de tekst en totstandkomingsgeschiedenis van artikel 19, eerste en tweede lid, van de WRO is toepassing van deze bepalingen slechts mogelijk voor projecten die gedeputeerde staten planologisch aanvaardbaar achten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat gedeputeerde staten het desbetreffende project aan een zelfstandige beoordeling onderwerpen. Een dergelijke beoordeling vindt niet plaats ten aanzien van projecten die vallen onder de door gedeputeerde staten op de voet van het tweede lid aangegeven categorieën van gevallen waarin geen verklaring van geen bezwaar is vereist. Voor die gevallen is sprake van een vooraf gegeven beoordeling in abstracto. Deze opzet brengt mee dat een categorie-omschrijving als vorenbedoeld strikt moet worden uitgelegd. De rechtbank is derhalve terecht en op juiste gronden tot het oordeel gekomen dat de in geding zijnde bouw niet is te rangschikken onder voormeld onderdeel van de Beleidsnotitie.
2.6.    Ter zitting is van de zijde van het college gesteld dat gedeputeerde staten onlangs een nieuw besluit hebben genomen tot aanwijzing van categorieën van gevallen waarin toepassing kan worden gegeven aan artikel 19, tweede lid, WRO en dat het bouwplan een geval is dat onder die aanwijzing valt. Het college heeft voor het geval zijn hoger beroep niet zou slagen verzocht op deze grond alsnog te bepalen dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 13 november 2002 geheel in stand blijven. Reeds omdat het college zijn stelling omtrent de nieuwe aanwijzing in het geheel niet heeft onderbouwd en toegelicht en [wederpartij] daarop bovendien niet heeft kunnen reageren, dient aan dat betoog voorbij te worden gegaan.
2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. R. van der Spoel , Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk    w.g. Schortinghuis
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004
66-412.