ECLI:NL:RVS:2004:AR3805
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- R. Cleton
- H.E. Troost
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen ontgrondingsvergunning in Leenderbos
Verweerder verleende op 17 december 2003 een vergunning aan Staatsbosbeheer voor het afplaggen van de humuslaag van een terrein van circa 31,86 hectare in het Leenderbos. Appellanten stelden dat de vergunning onterecht was verleend omdat de ontgronding in strijd zou zijn met het bestemmingsplan, er geen milieueffectrapport (MER) was opgesteld, onduidelijkheid bestond over de oplevering van het terrein, en bezwaren over waterhuishouding onvoldoende waren meegewogen.
De Raad van State oordeelde dat de ontgronding binnen de bestemming 'Bosgebied' viel en dat het bestemmingsplan en de planologische medewerking door de gemeente dit toestonden. Tevens was geen MER verplicht omdat de ontgronding niet viel onder de categorieën waarvoor een MER vereist is, mede omdat het terrein kleiner dan 100 hectare is en het niet gaat om winning van oppervlaktedelfstoffen.
De voorschriften in de vergunning waren concreet en lieten geen ruimte voor afwijkende inrichting. De waterhuishoudkundige bezwaren waren terecht doorgeschoven naar het waterschap, dat een ontheffing had verleend waarbij deze belangen waren betrokken. De Raad achtte het niet aannemelijk dat wateroverlast zou ontstaan, mede gezien de afstand van de woningen tot het ontgrondingsgebied.
Gelet op deze overwegingen concludeerde de Raad dat het bestreden besluit niet onrechtmatig was en dat het beroep ongegrond moest worden verklaard. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de ontgrondingsvergunning wordt ongegrond verklaard.