ECLI:NL:RVS:2004:AR3756

Raad van State

Datum uitspraak
13 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200403261/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
  • J. de Koning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Algemene Politieverordening Leidschendam 1986
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing vergunning uitrit vanwege verkeersveiligheid en groenbescherming

Het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg wees de aanvraag van appellant voor een vergunning voor een uitrit aan de achterzijde van zijn woning af, vanwege bezwaren op grond van verkeersveiligheid en de bescherming van de groenvoorziening. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het college onzorgvuldig had gehandeld en dat de verkeersbewegingen niet zouden toenemen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen, mede gelet op het rapport van de politie Haaglanden dat de verkeersveiligheid bevestigt.

Verder is geoordeeld dat de verwijdering van openbaar groen proportioneel is gezien de verkeerskundige eisen voor de uitrit. De Afdeling vindt dat het college de belangen van bruikbaarheid en veiligheid van de weg, alsmede de bescherming van de groenvoorziening, terecht heeft meegewogen.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De afwijzing van de vergunning voor de uitrit wordt bevestigd vanwege verkeersveiligheid en bescherming van de groenvoorziening.

Uitspraak

200403261/1.
Datum uitspraak: 13 oktober 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 maart 2004 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 24 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) de aanvraag van appellant om een vergunning als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de destijds van kracht zijnde Algemene politie verordening Leidschendam 1986, (hierna: APV) ten behoeve van een uitrit vanaf het perceel aan de achterzijde van appellants woning - gelegen aan de [locatie sub 1] - naar de [locatie sub 2] te [plaats], afgewezen.
Bij besluit van 13 december 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 maart 2004, verzonden op 9 maart 2004, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 3 juni 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. E.V. van Hardeveld, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door E.E. Bink en mr. C.J. Kiep, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Artikel 18, eerste lid, van de verordening bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van burgemeester en wethouders in dan wel op wegen uitritten of uitwegen te maken of te hebben of bestaande te verbreden.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:
a.    de bruikbaarheid van de weg;
b.    het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
c.    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
d.    de bescherming van de groenvoorziening in de gemeente
2.2.    Het college heeft de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de gevraagde vergunning doen steunen op de overweging dat een ontsluiting aan de achterzijde van het perceel per definitie een toename van de verkeersbewegingen met zich brengt op de [locatie sub 2], een doorgaande verbindingsweg met een direct aan appellants perceel grenzende vrije busbaan en dat dit uit oogpunt van bruikbaarheid en verkeersveiligheid van de weg, mede gelet op hetgeen de politie Haaglanden naderhand schriftelijk heeft bevestigd, een ongewenste situatie is.
Voorts steunt de gehandhaafde afwijzing op de overweging dat ten behoeve van de aanleg van de gewenste uitrit met het oog op het scheppen van verantwoord vrij uitzicht op de [locatie sub 2] 10 tot 13 meter groenvoorziening moet worden verwijderd uit de bestaande groenvoorziening, hetgeen het college uit het oogpunt van bescherming van de groenvoorziening eveneens ongewenst acht.
2.3.    Appellant meent dat nu het college pas na de beslissing op bezwaar het rapport van de politie Haaglanden heeft verkregen, sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Voorts betwist appellant die verklaring inhoudelijk. Verder stelt appellant dat door het gebruik van de aan te leggen uitrit de verkeersbewegingen niet zullen toenemen, zodat hij betwijfelt of het doelmatig gebruik van de weg nadelig wordt beïnvloed. Appellant is, zo stelt hij, bereid om de bestaande uitrit van zijn perceel aan de [locatie sub 1] op te offeren ter wille van aan de gewenste uitrit naar de [locatie sub 2]. Tot slot stelt appellant dat een aanzienlijk kleinere hoeveelheid openbare groenvoorziening zal moeten verdwijnen dan het college beweert.
2.4.    De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat zij bij de toetsing in beroep van het bestreden besluit dient te beoordelen of het college na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel dat het college daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met enige ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen.
2.5.    De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college in redelijkheid van de bevoegdheid heeft gebruik gemaakt om de gevraagde vergunning te weigeren.
Ook naar het oordeel van de Afdeling zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de conclusie van het college dat de gevraagde uitrit, hoe dan ook, zal leiden tot een minder doelmatig gebruik van de [locatie sub 2] en een toename van de gevaarzetting. In dit verband acht de Afdeling het niet zonder betekenis dat de gewenste uitrit direct uitkomt op de vrije busbaan die appellant zou moeten kruisen naar de direct daaraan grenzende wegstrook met doorgaand éénrichtingsverkeer.
2.5.1.    De omstandigheid dat de visie van het hoofd van het plaatselijk politiebureau Haaglanden waarin de conclusie van het college wordt onderschreven eerst na het bestreden besluit schriftelijk is vastgelegd, leidt niet tot het oordeel dat het besluit van het college onzorgvuldig is voorbereid of onvoldoende is onderbouwd.
2.6.    Wat betreft de bescherming van de groenvoorziening in de omgeving kan niet worden staande gehouden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat gezien de verkeerskundige eisen die moeten worden gesteld aan een uitrit zoals door appellant gewenst, verhoudingsgewijs veel openbaar groen moet wijken.
De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de stelling van appellant dat de bescherming van de groenvoorziening van de omgeving niet als weigeringsgrond kon worden gehanteerd, geen doel treft, gegeven de titel van het hoofdstuk waarin artikel 18 van Pro de verordening is geplaatst.
2.7.    Gelet op het vorenoverwogene kan niet worden staande gehouden dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid aan de belangen van de bruikbaarheid van de weg en het veilig gebruik van de weg, alsmede die van de bescherming van de groenvoorziening ter plekke, de doorslag heeft kunnen geven.
2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink    w.g. De Koning
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004
221.