Uitspraak
200400831/2, afgewezen.
Raad van State
Appellanten verzochten het college van burgemeester en wethouders van Gendringen handhavend op te treden tegen spuitwerkzaamheden die zonder adequate milieuvergunning werden uitgevoerd door een inrichtinghoudster. Het college wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar van appellanten niet-ontvankelijk. Appellanten stelden dat de spuitwerkzaamheden niet waren beëindigd en dat zij een procesbelang hadden bij een oordeel over de rechtmatigheid van het besluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak constateerde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke situatie omtrent de spuitcabine en onterecht had aangenomen dat de werkzaamheden waren beëindigd. Tevens was het college onjuist van mening dat appellanten geen procesbelang meer hadden, omdat de revisievergunning nog niet onherroepelijk was en het besluit niet in werking was getreden.
Op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 20.3 van de Wet milieubeheer oordeelde de Afdeling dat het bestreden besluit in strijd was met de vereiste zorgvuldigheid en motivering. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende feitenonderzoek en onjuist oordeel over het procesbelang.