ECLI:NL:RVS:2004:AR3366
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergunning onttrekking woonruimte met compensatieplicht in Amsterdam
Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuideramstel verleende op 4 september 2001 een vergunning aan appellant voor onttrekking van woonruimte aan de bestemming tot bewoning, onder de voorwaarde van betaling van een financiële compensatie. Appellant maakte bezwaar tegen deze voorwaarde, stellende dat de ruimte al als bedrijfsruimte werd gebruikt en dus niet vergunningplichtig was.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. Tijdens de zitting op 23 augustus 2004 werd het geschil behandeld waarbij appellant werd bijgestaan door een advocaat.
De Raad van State overwoog dat het dagelijks bestuur in beginsel mag uitgaan van de gegevens uit het bevolkingsregister, waaruit bleek dat de ruimte als woonruimte werd gebruikt. De door appellant overgelegde stukken en getuigenverklaringen waren onvoldoende om dit te weerleggen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 6 oktober 2004 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning met compensatieplicht blijft in stand.