ECLI:NL:RVS:2004:AR3331
Raad van State
- Hoger beroep
- Ch.W. Mouton
- W.C.M. Ramsahai
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere subsidievaststelling bij beëindiging varkensbedrijf in EHS
Appellante kreeg in het kader van de Beëindigingsregeling varkensbedrijven in de EHS een subsidie toegekend, die later door de Minister werd verlaagd wegens onjuiste berekening van de vergoeding voor grondgebonden en niet grondgebonden varkensrechten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze verlaging ongegrond.
Appellante stelde dat het lagere subsidiebedrag in strijd was met het vertrouwensbeginsel en dat de Minister onrechtmatig had gehandeld door artikel 4:46 Awb Pro toe te passen zonder artikel 4:48 Awb Pro. De Raad van State oordeelde dat appellante op de hoogte was gesteld van de fout in de subsidie en dat de subsidieverlening slechts een voorwaardelijke aanspraak gaf. De toepassing van artikel 4:46 Awb Pro was gerechtvaardigd omdat appellante wist of behoorde te weten dat de oorspronkelijke subsidie onjuist was berekend.
Verder werd het subsidiaire beroep van appellante verworpen dat aanspraak bestond op vergoeding van het grondgebonden deel van het varkensrecht, omdat dit volgens de regeling en de Wet herstructurering varkenshouderij niet voor subsidie in aanmerking komt. De Raad van State bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere subsidievaststelling bevestigd.