AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging besluit voorkeursrecht gemeente Schouwen-Duiveland ondanks intentieovereenkomst
Het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland stelde voor om meerdere percelen grond aan te wijzen als gronden waarop het voorkeursrecht van toepassing is. De raad nam dit besluit voor een maximale duur van twee jaar. Appellante, TRS West B.V., maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen door de raad en vervolgens door de rechtbank Middelburg.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat bij het besluit ten onrechte geen rekening was gehouden met een intentieovereenkomst tussen de gemeente en TRS Ontwikkelingsgroep B.V. over woningbouwontwikkeling op de locatie waar de gronden liggen. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de wetgever bij de Wvg het algemene belang van het vestigen van het voorkeursrecht al heeft afgewogen tegen individuele financiële belangen, zodat deze niet apart hoeven te worden meegewogen.
Verder oordeelde de Afdeling dat appellante geen partij was bij de intentieovereenkomst en daaraan geen rechten kon ontlenen. Er waren geen andere belangen gesteld die tegen het voorkeursrecht pleitten. Daarom was vernietiging van de beslissing op bezwaar niet aan de orde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante is ongegrond verklaard en het besluit tot vestiging van het voorkeursrecht is bevestigd.
Uitspraak
200400881/1
Datum uitspraak: 29 september 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap 'TRS West B.V.', gevestigd te Rotterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 22 december 2003 in het geding tussen:
appellante
en
de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland (hierna: het college) op de voet van artikel 8a van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) aan de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: de raad) een voorstel gedaan om de percelen grond, kadastraal bekend gemeente Zierikzee, sectie H, nrs. 278, 745, 746, 833, 834 en 835 aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.
Bij besluit van 29 augustus 2002 heeft de raad op de voet van artikel 8 vanPro de Wvg voornoemde percelen voor de maximale duur van twee jaar aangewezen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.
Appellante heeft tegen het besluit van 9 juli 2002 bezwaar gemaakt. Dit is ingevolge artikel 9a, tweede lid, van de Wvg aangemerkt als te zijn gericht tegen het raadsbesluit van 29 augustus 2002.
Bij besluit van 17 maart 2003 heeft de raad het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 december 2003, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank), voor zover hier van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 28 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 februari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 26 maart 2004 heeft de raad van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. W.J.E. van der Werf, advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A. Minderhoud, advocaat te Middelburg en P. van Beveren, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante komt op tegen de aangevallen uitspraak, voorzover daarin het beroep tegen het (gehandhaafde) besluit tot het vestigen van een voorkeursrecht ongegrond is verklaard.
2.2. Het betoog van appellante in hoger beroep komt er op neer dat bij het besluit tot vestiging van het voorkeursrecht ten onrechte geen rekening is gehouden met de tussen onder meer de gemeente Schouwen-Duiveland en de besloten vennootschap “TRS Ontwikkelingsgroep B.V.” gesloten intentie-overeenkomst van 3 april 2001 en de daarin opgenomen rechten en/of plichten. Deze intentie-overeenkomst ziet op de ontwikkeling en realisatie van woningbouw op de locatie Noorderpolder, waarvan de onderhavige gronden deel uitmaken. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het met het vestigen van het voorkeursrecht te dienen algemene belang reeds afgewogen tegen het individuele financiële belang van de betrokken grondeigenaren, zodat dat financiële belang niet meer afzonderlijk bij de besluitvorming behoeft te worden betrokken. Voorzover al gezegd zou kunnen worden dat uit de intentie-overeenkomst ook niet-financiële belangen voortvloeien die wel in de belangenafweging hadden dienen te worden betrokken - hetgeen naar het oordeel van de Afdeling niet het geval is, nu de gestelde belangen van financieel/economische aard zijn -, kan het betoog van appellante niet slagen, nu zij geen partij bij die overeenkomst was en daaraan derhalve geen rechten kan ontlenen. De Afdeling voegt hier nog aan toe dat ook niet is gebleken dat appellante op andere wijze rechten aan deze overeenkomst kan ontlenen. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om tot vernietiging van de beslissing op bezwaar over te gaan, aangezien van de zijde van appellante geen belangen zijn gesteld die zich tegen de vestiging van het voorkeursrecht zouden verzetten, althans bij het voorbereiden van het besluit tot vestiging van het voorkeursrecht in beschouwing hadden moeten worden genomen.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voorzover aangevochten, te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.