ECLI:NL:RVS:2004:AQ6635
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- R.H.L. Dallinga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking premie Investeringspremieregeling Noord-Nederland wegens niet voldoen uitbreidingscriteria
Appellante kreeg op 7 juli 1998 een premie toegekend op grond van de Investeringspremieregeling Noord-Nederland 1996 (IPR) voor de uitbreiding van haar industrieel bedrijf. Deze premie werd op 31 mei 2001 ingetrokken omdat niet werd voldaan aan de voorwaarden van artikel 14 IPR Pro, die eisen dat het aantal arbeidsplaatsen met ten minste drie moet toenemen of dat de capaciteit met ten minste 20% moet groeien.
Appellante had in haar aanvraag een stijging van het aantal arbeidsplaatsen voorzien, maar in werkelijkheid bleef het aantal gelijk en werd het extra werk opgevangen met overuren. De bestuurscommissie en het dagelijks bestuur oordeelden dat de capaciteitsvergroting niet voldoende was aangetoond. De rechtbank Groningen verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de uitleg van de IPR correct was toegepast, waarbij de capaciteit wordt bepaald aan de hand van theoretische productiecapaciteit of, indien die niet kan worden vastgesteld, op basis van de verhouding tussen de kosten van uitbreiding van duurzame bedrijfsuitrusting en de verzekerde waarde daarvan. Appellante slaagde er niet in aan te tonen dat de theoretische productiecapaciteit was toegenomen. De Raad van State bevestigde daarom het oordeel van het dagelijks bestuur en de rechtbank dat de premie terecht was ingetrokken.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking van de premie bevestigd.