ECLI:NL:RVS:2004:AQ6021
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- J. de Koning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting recreatieinrichting wegens overtreding gedoogvoorwaarden softdrugs
De burgemeester van Den Haag heeft bij besluit van 24 september 2002 de tijdelijke sluiting bevolen van een recreatieinrichting, een coffeeshop, vanwege overtreding van de gedoogvoorwaarden voor de verkoop van softdrugs. Tevens werd de gedoogbeschikking ingetrokken. De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep van appellant tegen de intrekking van de gedoogbeschikking gegrond en bepaalde dat de burgemeester een nieuw besluit moest nemen.
In hoger beroep richt zich het geschil uitsluitend op de sluiting van de inrichting. De burgemeester baseerde zijn besluit op de constatering dat op 14 mei 2002 minderjarigen aanwezig waren in de inrichting, wat een overtreding van artikel 13b van de Opiumwet inhoudt. Appellant voerde aan dat de minderjarigheid niet objectief was vastgesteld en ontkende medeweten van verkoop aan minderjarigen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de burgemeester terecht bestuursdwang heeft toegepast, omdat vaststaat dat op 14 mei 2002 minderjarigen aanwezig waren en dat eerdere waarschuwingen niet zijn opgevolgd. De belangenafweging door de burgemeester was redelijk en de duur van de sluiting van negen maanden was niet onredelijk. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de sluiting van de coffeeshop wegens overtreding van de gedoogvoorwaarden en verklaart het hoger beroep ongegrond.