ECLI:NL:RVS:2004:AQ5755

Raad van State

Datum uitspraak
28 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200308510/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Brink
  • P. Lodder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 17 lid 2 bestemmingsplan HaskerdijkenArt. 17 lid 4 bestemmingsplan Haskerdijken
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek verkoop woning als recreatiewoning in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân wees op 15 augustus 2002 het verzoek van appellant af om zijn woning op een perceel in [plaats] mede als recreatiewoning te mogen verkopen. Dit verzoek betrof een vrijstelling van het bestemmingsplan “Haskerdijken”, dat het gebruik van bestaande woningen uitsluitend voor permanente bewoning toestaat.

Appellant had eerder soortgelijke verzoeken ingediend die eveneens waren afgewezen. Volgens het college en de rechtbank ontbraken nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een heroverweging rechtvaardigden. Appellant stelde dat er wel nieuwe feiten waren, waaronder uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak over milieuvoorschriften voor de nabijgelegen jachthaven en vermeende onjuiste handhaving door het college.

De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vormden die het bestemmingsplan of het gebruik van de woning als permanente bewoning beïnvloeden. De Raad van State bevestigde deze uitspraak en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om verkoop van de woning als recreatiewoning wordt bevestigd.

Uitspraak

200308510/1.
Datum uitspraak: 28 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 november 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân.
1.    Procesverloop
Bij brief van 15 augustus 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van appellant om zijn woning op het perceel [locatie] te [plaats] mede als recreatiewoning te mogen verkopen.
Bij besluit van 3 december 2002 heeft het college, voor zover hier van belang, het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 november 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 26 februari 2004 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door G.C.J. Zaal, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Niet in geschil is dat het college de brief van appellant van 25 april 2002 terecht heeft opgevat als een verzoek om met toepassing van artikel 17, vierde lid, van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Haskerdijken” vrijstelling te verlenen van het in artikel 17, tweede lid, van de planvoorschriften neergelegde verbod om bestaande woningen anders te gebruiken dan voor permanente bewoning.
2.2.    Appellant heeft eerder vergelijkbare verzoeken gedaan. Deze verzoeken zijn bij besluiten van 30 november 1993, 20 mei 1998 en 18 oktober 2000 afgewezen.
2.3.    Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.
2.4.    Appellant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan zijn betoog dat sprake is van nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden, zodat het college zijn aanvraag niet met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb had mogen afwijzen.
Dit standpunt is onjuist. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de door appellant aangeduide gegevens niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. De door appellant gestelde omstandigheid dat de Afdeling bij haar uitspraak van 16 januari 2002, inzake 200102660/2 in samenhang met haar uitspraak van 3 juni 2002, inzake 200201423/2, het aan de milieuvergunning voor de [jachthaven] verbonden voorschrift dat binnenkomende en vertrekkende vaartuigen in de jachthaven moeten worden gemanoeuvreerd, heeft vernietigd, is niet aan te merken als zodanige omstandigheid. Niet valt in te zien dat dit gegeven een wijziging brengt in de mogelijkheden om de woning van appellant overeenkomstig de gegeven bestemming voor permanente woning te gebruiken. Datzelfde geldt voor de gestelde omstandigheden dat reparatiewerkzaamheden op het belendende perceel niet overeenkomstig de milieuvergunning in een daarvoor bestemde werkplaats zouden plaatsvinden en dat het college zou hebben gesteld dat het niet voornemens is [jachthaven] te verplichten een tegelpad aan te leggen en lage begroeiing aan te brengen.
2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink    w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2004
17-439.