ECLI:NL:RVS:2004:AQ3633
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- J.H.B. van der Meer
- J.A.M. van Angeren
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing toevoeging rechtsbijstand wegens draagkracht
Appellant verzocht om toevoeging rechtsbijstand, waarbij het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te Amsterdam op 9 juni 2000 en 23 augustus 2000 verzoeken afwees. De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de raad bij het besluit van 23 augustus 2000 ten onrechte de financiële draagkracht van appellant had berekend zonder rekening te houden met het negatieve ondernemingsvermogen per 31 december 1999 en de inkomsten en kosten in de periode tot mei 2000. De wettelijke rente werd ten onrechte als vermogen gerekend terwijl dit inkomen uit het beroep betreft. Hierdoor werd onterecht een definitieve toevoeging geweigerd.
Voor het besluit van 9 juni 2000 oordeelde de Afdeling dat geen causaal verband bestond tussen het resultaat van de rechtsbijstand en de voortzetting van het beroep, zodat de afwijzing terecht was. De Afdeling vernietigde het besluit van 11 februari 2002 inzake de definitieve toevoeging en bevestigde het besluit inzake de andere toevoeging.
De raad werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant. De uitspraak werd openbaar gedaan op 21 juli 2004.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de definitieve toevoeging wordt vernietigd, het andere besluit wordt bevestigd.